Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Praten met de poezen

Mevrouw Pasgeld en ik voelen elkaar doorgaans goed aan. En mochten er twijfels rijzen over de aanpak van het een of ander, dan weten we elkaar met woorden wel in te lichten over eventuele details van elkaars wensen.
Met weinig woorden.
Veel gekletst werd er in huize Pasgeld dus nooit.

Maar dat is de laatste tijd wel anders. Ik betrap me er namelijk op, dat ik tegenwoordig nogal veelvuldig het woord richt tot de poezen. Hardop. Al dan niet in aanwezigheid van mevrouw Pasgeld. Eerst meende ik, dat dat een soort ouderdomsverschijnsel is. Maar mevrouw Pasgeld, die een stuk jonger is dan ik, wisselt zo mogelijk nog meer van gedachten met de poezen dan ik.

Onze poezen heten Don de Baron en Opie. Hun aanspreektitels zijn evenwel Donnepon en Opiedepopie.
‘Zo, Donneponnetje. Lig je daar lekker in het zonnetje in vensterbank?’, klinkt het dan bijvoorbeeld hardop. Of: ‘’Opiedepopie, heb jíj die muis, die vanochtend op de keukentafel lag, gevangen?’.
Antwoord op dergelijke vragen krijgen we meestal niet. Wel kijken ze ons dan aan alsof ze het volkomen begrijpen. Soms zelfs met iets in hun blik van: ach gut, moet jij zo nodig tegen poezen praten? Waar heb dat nou toch voor nodig?
Maar als we onze mondelinge mededelingen vergezeld doen gaan van een aai over de bol of een knuffel vinden ze alles best.

’s Middags doe ik vaak even een dutje op de bank. En dan lijkt het wel of Opie veel eerder dan ik in de gaten heeft wanneer zo’n dutje zich aandient. Want hij volgt me tegen die tijd nauwlettend. En als ik op de bank mijn veters losmaak om mijn schoenen uit te doen rent hij op me af en nestelt zich tussen mijn kin en mijn armen om me met zijn snorharen zoveel mogelijk te kriebelen voor ik in slaap val. En dat is niet eerder dan dat we samen even hebben liggen snorren van genoegen. Want poezen snorren als ze het naar hun zin hebben. Ik tegenwoordig ook. Alleen snort Opie zowel bij het in- als het uitademen. Zover ben ik nog niet. Ik kan alleen zachtjes brommen tijdens het uitademen.
Het dutje is afgelopen als Opie, als getroffen door de pijlen van God’s genade, ineens het dekentje waar wij samen onder liggen van zich afwerpt en er als een haas vandoor gaat. Daar word ik dan wakker van en leg het maar uit als een zelfde teken van God dat ik genoeg heb gedut.

Don heeft geen enkele behoefte mij in mijn slaapje te vergezellen.
‘Donnepon, Donnepon, kom dan ook’, roep ik nog wel eens als het zover is. Maar nee. Hij kijkt me dan vanaf de vensterbank aan alsof ik een buitengewoon kinderachtig voorstel doe dat hij niet eens in overweging wil nemen.

Moet ik het nog hebben over de aard van onze conversatie met de poezen als we hun eetbakjes vullen? En ze smachtend van ongeduld naast die bakjes wachten tot ze vol zijn? Of over hun toegangsverbod tot de slaapkamer en de logeerkamer? Een verbod dat ze iedere keer weer aan hun laars lappen op het moment dat wij de deuren van die kamers vergeten te sluiten?
Mevrouw Pasgeld is strenger in het handhaven van dat verbod dan ik. Haar tirades tegen de poezen, als ze ze weer eens lekker lui uitgestrekt op een van de bedden aantreft, duren dan ook beduidend langer dan de mijne.
Daarentegen kan ìk soms wel minutenlang tegen ze aan kletsen in mijn pogingen hen te doordringen van de ernst van het leven.

Er wordt de laatste tijd wat afgekletst in huize Pasgeld.
 
Geplaatst op: Donderdag 23 januari 2020 om 08:50 uur
1687370
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld