Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Een vers dat als een nachtkaars uitgaat

  1.
In een diligence zaten
Negen mensen bij elkaar!
’t Was een dag van grote hette,
En de lucht vol smetgevaar
2.
Alles wat die mensen zeiden,
Kwam zowat op ‘t zelfde neer:
Niemand hunner sprak tenminste
Anders dan van ’t corona-zeer.
3.
‘’t Is toch wat’, zo spreekt de dandy,
En daarbij wordt uiterst net
Met twee vingers en twee duimen
Zijn mondkapje weer rechtgezet.
4.
‘’t Is toch wat vandaag, meneren!
Virussen in de atmosfeer!
Maar laat u toch niet deprimeren!
Zeg ik, op mijn woord van eer!’
5.
‘Toch niet’, zo antwoordt hem de zeeman,
‘Want ik vind het heel niet fijn,
Om nu zo met z’n allen
Te staan aan de rand van het ravijn’.
6.
‘Met al die social distancing,
En die schrikpaniek in town,
Sta je, voordat je het weet,
Voor een spoedeisende lockdown’.
7.
‘Och’, zucht nu de burgerjuffrouw,
‘Liefe mens! Ik ben so bang!
’t Mot wel sijn, sou ‘k haast geloufen,
Dat het spookt achter ‘t behang.
8.
‘k Mot u seggen: van al dat wassen
Loopt een plassie in me schout.’
Nergens ken ‘k meer zeep verkrijge,
Nog effe, en dan gaan ik doud’.
9.
‘Ja, enfin!’, zo spreekt de hand’laar
In een snelle woordenvloed.
‘De schaarste in toiletpapier,
Doet de handel alleen maar goed.
10.
En zeg eens eerlijk, wie van u
Heeft de kont níet kunnen schonen?.
In de paniek van de laatste weken
Is dàt wat je noemt mooi meegenomen’.
11.
‘Ja, hallo’, spreekt de paardenkoper
Op zijn oude ruzietoon,-
En zijn gehamster, goed verborgen,
Vergoed zijn, tot nu toe, verloren loon.
12.
‘Nou maar, wat wou jullie praten!
Ik leg hier een verklaring af,
Dat ik nooit een dag beleefd heb,
Dat mijn koorts problemen gaf!’
13.
‘Stel je voorr’, zo zegt de krijger,
Zijn luchtwegklachten geïgnoreerd,
‘’t Is wat! Maar mijn carrière
Dient bepaald geobediëerd.
14.
Toch legt de schok van de Corona,
Het systeem in één keer plat.
En de helft van de bevolking
Neemt daarbij het hazepad’.
15.
‘Ja, ’t is uniek nu’, zegt de man
Die stil van zijn renten leeft.
En om wiens ademhalingsproblemen,
Helemaal niemand echt meer geeft.
16.
‘Ja. ’t Is uniek, vervolgt hij, - keurig,
Of ’t zo naar de drukpers moet:
‘Anders functioneert mijn afweer,
Maar thans kwelt de besmettingsgloed’.
17.
Van het virus spraken allen,-
Maar die ene stijve nuf?
Wel, die zei daarbij maar telkens,
Met haar zakdoek zwaaiend: pf!
18.
In meer dan éne zin, maar ook door dit besluit
Gaat dit verheven dicht gelijk een nachtkaars uit.

(Vrij naar E. Laurillard).
Geplaatst op: Woensdag 25 maart 2020 om 13:53 uur
1718229
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld