Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Avonturen in bos en duin

Voor avonturen hoeven we niet ver weg. Neem afgelopen zondag. De zon scheen en mevrouw Pasgeld en ik dachten: Kom, we gaan er eens op uit. De bestemming was snel gevonden. De waterleidingduinen van Oranjezon, zo’n 20 kilometer verderop. Vierhonderd hectare bossen, duinen en meren. Wat wil je nog meer. Toegang: één euro per persoon. Dus overal doodstil. Want wie heeft er tegenwoordig nog een euro voor over om van de natuur te genieten. We wandelden vaker in Oranjezon. En tot nog toe zagen we daar iedere keer kans om te verdwalen. We hoopten, dat dat ook deze keer het geval zou zijn.

Lang hoefden we niet te wachten. Nadat we de meest zuidelijke route waren ingeslagen raakten we het spoor al na een half uur volkomen bijster. Damherten en Konikpaarden stonden grinnikend toe te kijken hoe we verstrikt raakten in doornige takken en doodlopende wildsporen in hoger en lager gelegen bossages.
Ik vroeg mevrouw Pasgeld hoe lang we in leven zouden kunnen blijven met alleen maar bramen. Want dat was, behalve een enorme, witte reuzenbovist met een doorsnee van wel 70 centimeter, het enige eetbare dat we zagen zo ver het oog reikte. En met die paddenstoel zou je nog moeten oppassen ook. Want misschien was het wel een giftige carbol champignon. Van de dorst zouden we in ieder geval niet omkomen. Helder water alom in de omliggende meertjes.

Na ruim een uur in volstrekte twijfel verkeerd te hebben waar we onze, in de loop der tijd zo moeizaam verworven zekerheden weer terug zouden vinden, ontwaarden we in de verte enkele duintoppen. Waardoor ik me ineens weer wist te oriënteren. En al gauw daarna vonden we het strand op de plek waar we dachten dat het moest zijn.

Het was net vloed geweest. Droge zandbanken even verderop in zee waren gescheiden van het strand door zwinnen van onbekende diepten.
‘Weet je wat’, stelde ik mevrouw Pasgeld voor. ‘Laten we onze tocht naar het westen voortzetten over de zandbanken. Maar dan moeten we wel eerst wadend door een zwin naar een zandbank toe en vervolgens door ondiepe muien van de ene naar de andere zandbank’.
Mevrouw Pasgeld, die de risico’s die het leven biedt, over het algemeen met blijdschap omarmt, stemde na enig aarzelen in. We deden onze kleren uit (toevallig was het hier een vrijwel verlaten naaktstrand, dus dat mocht) en hielden die hoog boven ons hoofd om zodoende door een zwin naar een droge zandplaat verderop in zee te lopen. Het werd steeds dieper. We realiseerden ons, dat we weer terug zouden moeten als het water boven onze hoofden kwam. Want hoe zouden we verder moeten? Zwemmen kon niet, want dat doe je met je armen en je handen in het water. En die handen moesten we nou juist omhoog houden, want daar hielden we onze kleren mee vast.

Vlak voor de zandplaat kwam het water ineens tot onze kin. Maar toen gingen we gelukkig weer omhoog. In onze blote konten zetten we onze wandeling op de zandbanken voort. Begeleid door meeuwen, steltlopers en zelfs een aalscholver. Daar wilde mevrouw Pasgeld wel een foto van maken. Ze had de hele tijd in haar blootje met een fototas aan haar schouder gelopen. Ikzelf droeg de fles water die we altijd meenemen op onze wandeltochten. Eigenlijk was het geen gezicht. Twee oudjes in hun rimpelige nakie op zo’n zandplaat. Met schoenen en kleren in hun ene hand en een fototas en een fles water in de andere. Maar ach. De maatschappij was nogal ver verwijderd. Dus wat gaf het.

Een paar kilometer verderop was geen naaktstrand meer. Gelukkig was de eb inmiddels zover gevorderd, dat we met een minimum aan kleren aan, door een inmiddels drooggevallen zwin het strand weer konden bereiken om onze tocht door de duinen verder geheel gekleed voort te zetten. En vervolgens weer naar huis te gaan.

Wat een avonturen! Op één zondagmiddag! Op nog geen 20 kilometer van onze woonstee!
 
Geplaatst op: Donderdag 7 september 2017 om 07:44 uur
1263704
bezoekers
© 2017 - Julius Pasgeld