|
Beschonken in een taxi
Onlangs moest ik ergens in het centrum van de Residentie enige pennevruchten ten gehore brengen. Na afloop van de voordracht werd iedereen overvloedig voorzien van geestesrijk vocht. Er was oude klare. Er waren diverse graangenevers in soort en maat. Er was op eikenhout gerijpte korenwijn. Als vanzelf maakt een mens gebruik van zo’n buitenkans. Na een vijftal hartverversingen schoot me juist op tijd te binnen dat ik nog diezelfde avond elders in het centrum werd verwacht om weer andere pennevruchten voor te dragen voor weer een ander gezelschap. Na me te hebben verbeid in de ritmes en wendingen van mijn eigen proza, die me overigens bij het schrijven ervan waren ontgaan, stelde de organisatie me ook deze keer weer in de gelegenheid om na afloop enig geestrijk vocht tot me te nemen.
Het was bij de achtste genever dat me de raad van mevrouw Pasgeld te binnenschoot. ‘Neem een taxi naar huis, als dat nodig is’, had ze gezegd. Mevrouw Pasgeld zou bij de diplomatieke dienst van binnenlandse zaken geen slecht figuur hebben geslagen. Haar luttele woorden hadden maximaal effect. Volkomen lam vond ik mezelf terug op de achterbank van een taxi, dewelke werd voortgedreven door een chauffeur die me, na een rit waarvan me slechts weinig is bijgebleven, liefdevol terugvoerde in de armen van mevrouw Pasgeld. Dit alles had ik u niet toevertrouwd als ik me de volgende ochtend niet tevergeefs had afgevraagd hoe ik in mijn bed terecht was gekomen. Het behoeft nauwelijks betoog dat deze overpeinzing gepaard ging met een niet te beschrijven hoofdpijn en een dwingende verwijzing naar het definitieve einde der tijden. ‘Ik ga mijn auto even ophalen. Die staat ergens in een parkeergarage in het centrum van de stad’, wist ik er om half twaalf van diezelfde ochtend met veel moeite uit te brengen. Mevrouw Pasgeld vond alles best. Ik was van plan met mijn fiets naar de parkeergarage te rijden, alwaar ik mijn fiets in de auto zou laden om per automobiel terug te keren. Maar mijn fiets bleek verdwenen. Normaal staat die altijd met een slot aan het hekje van de voortuin. Maar nu dus niet. ‘Gestolen!’, drong het langzaam tot mijn geteisterde hersenpan door. Ook dat nog! Op de fiets van mevrouw Pasgeld begaf ik mij naar het politiebureau om aangifte te doen. Daar leefde men zeer met mij mee maar achtte de kans klein dat ik mijn fiets ooit weer terug zou zien. Daarna begaf ik mij moeizaam naar de parkeergarage in het centrum, maar ook daar zat het niet mee. Hoe ik ook zocht, nergens kon ik mijn auto bekennen. ‘Ook al gestolen!’, moest ik wel concluderen. Volgens de wetten op de kansberekening kon dat natuurlijk gebeuren. Maar waarom mij ? ‘ U alweer?’, zei men op het politiebureau. ‘Ja. Deze keer kom ik aangifte doen van vermissing van mijn automobiel’, sprak ik vermoeid. Tot mijn verbazing geloofde men mij. Op het politiebureau is men kennelijk wel wat gewend. Zuchtend en steunend geraakte ik thuis. Mevrouw Pasgeld leefde enorm mee. Maar ik kon aan haar merken dat ze het niet geloofde. Moet ik een kort verhaal lang maken? Of kan ik maar beter gelijk bekennen dat ik op mijn daaropvolgende dagelijkse gang naar de buurtsuper mijn auto een straat verderop geparkeerd zag. Die had ik daar twee dagen geleden wegens parkeerdruk in mijn eigen straat eigenhandig neergezet. En moet ik u nog melden, dat op datzelfde moment tot me doordrong dat ik mij de vorige avond per fiets naar de voordrachten in het centrum van Den Haag had verplaatst. Die fiets bleek bij nader onderzoek nog steeds tegen hetzelfde hek op slot te staan als waar ik hem de vorige avond had neergezet. ‘U hier weer?’, vroeg men op het politiebureau toen ik aangifte kwam doen van verregaande domheid van mijzelf. Maar ze keken nergens van op. Ze zijn daar wel meer gewend. Ik niet. Zelfs toen mijn kater was verdwenen zat ik nog met een kater.
Geplaatst op: Zondag 16 juli 2006 om 13:44 uur
|
383381
bezoekers |