Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Bevangen door nederigheid en hoogtevrees

Op een mooie dag in april vonden mevrouw Pasgeld en ik de eerste tekenen van de zomer weer terug in een uitgebreid kustgebied ergens in Zeeland.
Waar precies vertel ik niet want voor je het weet staat het daar weer vol patatkramen en kermisvertier.

Maar nu nog niet.
De duinen aldaar bleken duinen zoals duinen behoren te zijn. Stevig geaccidenteerd. Hier en daar van flinke bossen voorzien. Af en toe slingerde er een beekje tussen de begroeide hellingen door. Grote groepen ganzen leuterden kwakend in idyllische vennen en namen niet eens de moeite weg te vliegen als we in de buurt kwamen. Naarmate we de kust naderden veranderde de begroeiing in forse duinen met stekelige duinroos en helmgras. Dat zette zich voort totdat er slechts nog wat geringe heuveltjes met duingras op het strand resteerden waartussen we de zee konden ontwaren die zich, zo kwam het ons voor, tot de oneindigheid aan het ontrollen was.

In het hele gebied trouwens nergens paaltje met verboden dit of dat. Nergens prikkeldraad. Alleen af en toe een bordje met een waarschuwing dat we een graasgebied van wilde paarden naderden. Die er ook inderdaad in groten getale stonden te grazen. Ik wees mevrouw Pasgeld afgunstig op de enorme jongeheren onder de buik van de mannetjespaarden. Mevrouw Pasgeld meende dat het de naderende lente wel zou zijn. Hoe dan ook. Het was paradijselijk! We deden niet anders dan genieten. En dat was maar goed ook. Want het is inmiddels genoegzaam bekend hoe het afloopt met mensen die zich in het paradijs wanen en daarna gaan nadenken.

Een stevige strandwandeling waarbij we in een half uur twee wandelaars tegenkwamen en we heel in de verte de Haringvlietsluizen ontwaarden, deed ons de nog aanklevende winterse bezorgdheden vergeten en welgemoed maakten we ons op om de terugweg te aanvaarden. Die leidde ons, zo hield de logica ons voor,  vanzelf wel weer via de heuveltjes met helmgras, de slingerende beekjes en het dichte duinbos naar het uitgangspunt waar onze queeste begon.

Maar terug in het bos begon de twijfel. Bij iedere wegsplitsing werd de vraag dwingender. Moesten we nou naar links of rechts? En we hadden de zon toch links in de rug toen we naar de zeeliepen? Waarom nu weer?
Ineens doemde er tussen de bomen een enorme houten uitkijktoren op. Wat een uitkomst! Nooit gedacht dat die nog bestonden. Maar als je er een nodig hebt is  er een! Zomaar! Met gezwinde spoed beklommen we de treden teneinde boven de juiste richting weer te kunnen opvatten. Ik voorop. Tot halverwege. ‘Loop eens wat door!’, zei mevrouw Pasgeld. Maar ineens was het er weer. Zomaar vanzelf. Het werd me kil te moede. Hoogtevrees. Hoe had ik kunnen vergeten dat ik in ernstige mate aan hoogtevrees lijd!

Om kort te gaan, ik had wel twintig minuten nodig om op de bovenste verdieping van de toren te geraken. Daar, me overal aan vastklemmend, probeerde ik in de verten rondom een blik te werpen teneinde me ervan te vergewissen welke richting we op moesten om ons uitgangspunt weer te bereiken. Maar ik zag niets dan boomtoppen. Waar ik ook keek. En ja. Daar heel in de verte een ijle blauwgrijze streep. De zee? Het interesseerde me allemaal niets meer. Had ik teveel genoten tijdens de wandeling door het paradijs? Had Gods toorn nu toch toegeslagen?

Gelukkig mocht ik mevrouw Pasgeld tijdens het afdalen met mijn ogen dicht  stevig aan haar schouders vatten. Zodat we tenslotte beneden weer blij van zin op een bankje, dat specaal voor mensen met hoogtevrees beneden aan de toren was neergezet, konden plaatsnemen.
Daar vertelde mevrouw Pasgeld me, dat ze bovenop de toren had gezien welke richting we opmoesten en na drie kwartier bleek ze nog gelijk te hebben ook.
Geplaatst op: Vrijdag 1 mei 2015 om 08:44 uur
1793993
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld