Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Biljarten in het dorpshuis

Twee keer per week is er bij mij in het dorp biljarten. In het dorpshuis. Alleen Hannes, Louis, Ger, Jan, Lou, Gerard en ik doen dat. Niet zo veel dus. En dat is maar goed ook. Want dan ben je gauw weer aan de beurt. Het zijn allemaal onvervalste Zeeuwen. Alleen Ger komt oorspronkelijk uit Rotterdam. En ik dus uit Den Haag. Maar dat vindt niemand erg. Zolang Ger en ik onszelf maar niet belangrijk gaan vinden.

In het begin kon ik ze nauwelijks verstaan maar dat gaf niks. Als ik af en toe maar op het goede moment ja of nee schudde, of meelachte was er niks aan de hand. En als ik dat soms op het verkeerde moment deed was er ook niks aan de hand, want dan begrepen ze, dat ik het verkeerd verstaan had. Na verloop van tijd leerde ik niet alleen beter biljarten maar ook beter Zeeuws verstaan.
Als de ballen moeilijk liggen zegt Gerard bijvoorbeeld: ‘Hoemoemenoe?’ hetgeen, vrij vertaald op neer komt op: Wat moeten we nu? en als ik weer eens misstoot is het vaak ‘veel te dikke’ of ‘te dunne’. Ook gebeurt het wel, dat mijn bal, nadat die de vereiste twee andere ballen niet heeft geraakt, via verlerlei omzwervingen toch nog tegen ze aan stoot. Dan hoor ik de onlangs 89 jaar geworden Jan Vermeulen mompelen: ‘Beter een onsje geluk dan een kilo verstand’.

Het is altijd erg gezellig tijdens het biljarten. Er heerst nauwelijks rivaliteit. We belonen elkaars mooie stoten met enthousiaste uitroepen of gestamp met de keu op de grond. En als we niet in vorm zijn zeggen we tegen elkaar, dat we daar zelf ook wel eens last van hebben en dat dat gauw weer over gaat. De stand wordt wel bijgehouden, maar na afloop wordt nauwelijks geconstateerd wie er gewonnen heeft. Kortom: we beoefenen de sport zoals dat ooit de bedoeling was: voor de lol.

Daar dragen we allemaal aan bij. Maar vooral Hannes. Hannes is, net zoals ik, in de zeventig en heeft, behalve een geweldig gevoel voor humor ook de behoefte om af en toe een rijmpje te zeggen. Zo zei hij, toen we kennis maakten:

‘Hannes is de naam,
  Mij bij de doop gegeven,
  Fierloos is mijn ‘van’
  Naar de vaderlijke stam’

En laatst hield hij midden in een serie caramboles ineens op en zei:

‘Hoop en vrees lag op de wagen
  Hij zag tweebeen vierbeen dragen
  Wat is dat?’
Dat blijkt dan een gevange te zijn die, terwijl hij op een kar naar het schavot wordt gevoerd, in de lucht een reiger ziet vliegen met een kikker in zijn snavel.

En als José, de uitbaatster van het dorpshuis, even binnenkomt om te vragen wat we willen drinken, zegt Hannes:

“Maar nu’, sprak Mozes tot de schare,
  ‘Wat zullen we drinken? Bier of ouwe klare?’
  Toen zei meneer Van Stee:
   ‘Ik lust ze alletwee”

En vorige week nog. Ik had net een ingewikkelde driebandenstoot tot een goed einde gebracht toen hij aan me vroeg:
‘Weet jij hoe je aan een dove moet vragen of hij een paard wil kopen?’
Ik dacht er even over na maar had geen idee. Misschien, zo ging het door mijn hoofd, moest dat in gebarentaal? Of bestond er een speciale manier om dat te doen?
‘Nee, geen idee’, zei ik.
Hannes gebaarde, dat ik dichtbij hem moest gaan staan en schreeuwde keihard in mijn oor: ‘Wil je een paard kopen!!!!’

Biljarten in het dorpshuis is altijd leuk.
Geplaatst op: Vrijdag 4 oktober 2013 om 09:22 uur
1793459
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld