Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Biljarten is leuker dan winnen

‘Komt allen tezamen’, roept Hannes nadrukkelijk tegen de rollende biljartballen in de hoop dat het, tegen de verwachting in, alsnog tot een carambole komt. Vaak gebeurt dat niet. Maar áls het gebeurt, krijgen we de indruk, dat Hannes over bovennatuurlijke krachten beschikt.

Die bovennatuurlijke krachten zijn trouwens toch altijd ruimschoots aanwezig tijdens onze wekelijkse biljartmiddag in het Dorpshuis. Neem nou het verschijnsel geluk, bij ons ook wel aangeduid met ‘zwijn’. Statistisch gezien heb je tijdens het biljarten natuurlijk evenveel kans op een zwijn als op een tegenvaller. Een zwijn is bijvoorbeeld als je voorganger de ballen na een stoot zó op het laken heeft achtergelaten dat zelfs een kleuter er nog een carambole van zou kunnen maken. Of als je er zelf, door wat voor reden ook, absoluut naast zit, maar dat de bal via een geheel onvoorziene route en stomtoevallige botsingen uiteindelijk toch terecht komt waar je hem had willen hebben.
En een tegenvaller is, als het maar ‘een Chinese buikhaar’ scheelt dat de bal de andere raakt. Of als hij daar met een afstand zo groot als ‘de dikte van een krantenpagina’ nèt voor blijft liggen.

Welnu. Dat geluk valt, via genoemde bovennatuurlijke krachten, hele middagen lang alleen maar ànderen ten deel. Terwijl je zèlf alleen maar pech hebt.

Sommigen van ons, waaronder ook ik, raken daar wel eens van uit hun hum. We worden zwijgzaam. Lopen zachtjes voor ons uit te vloeken na iedere misstoot. Of zitten wat peinzend het geluk van anderen te overdrijven.

Maar Hannes niet. Hannes houd er de moed in. En vertelt een mop. Terwijl hij eigenlijk aan de beurt is. Zodat het nòg langer duurt voor je je inmiddels opgelopen achterstand weer kan inhalen.

‘D’r was ’n wufje, daar kon je nog niet op kieke, zo lelijk was ze’, begint hij. ‘Toen zette ze een papegaai op der schouder en kwam een man tegen. “Als je raadt wat voor dier het is mag je met me naar bed”, zei ze tegen die man.
Maar die man wou d’r nie op, dus die zegt: “Een olifant”.
“Oh”, zei ’t wufke. ‘Da’s ook goed”.

Kijk. Dan vergeet je gelukkig, dat je nog een hele achterstand hebt in te halen.

Andere opmerkingen helpen daar ook bij.
Als de keu van Geerard afkets bij het stoten: ‘En ik kriet toch zó dikkels!’.
Of als hij hardop overlegt hoe de kansen ervoor staan bij een afstoot: ‘Mot kunne, maar niet te dunne’. En als het dan toch nog mislukt: ‘Te dikke!! ‘Ik had beter motte mikke!’
En als we afspreken, dat we bij tien over rood bij 5 caramboles ‘vastliggen’ waardoor we niet meer de kans lopen al je punten kwijt te raken als je de rode bal niet raakt, zegt Ger: ‘Dus na vijf caramboles is het net alsof je gepensioneerd bent’.
Of als Lou voor de zoveelste keer bezig is aan een serie van acht caramboles of meer. Dan zeggen we tegen elkaar: ‘Wat doen we hier eigenlijk nog? We kenne beter gaan klaverjassen’.
En dan Hannes weer:
‘Alles komt terecht.
Niks gaat mis.
Als je het leven neemt zoals het is’.

Ineens is biljarten dan weer leuker dan winnen.
 
Geplaatst op: Donderdag 16 november 2017 om 08:58 uur
1308684
bezoekers
© 2017 - Julius Pasgeld