Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Biljarten om half twee

Iedere week verzamelen zes oude mannen, waaronder ik, zich in de kleine zaal van het Dorpshuis in ons Zeeuwse dorpje. Wij proberen daar een paar uur lang een drietal synthetisch vervaardigde ballen in de kleuren wit, geel en rood, met elk een gewicht van ruim 200 gram en een doorsnede van 61,5 millimeter, zoveel als mogelijk met elkaar te laten botsen op een strakgespannen, groen laken. We doen dat met een voor een buitenstaander onbegrijpelijke toewijding.

Vaak is het doodstil en volgt men elkaars pogingen met gespannen aandacht. Wie aan de beurt is loopt aarzelend en onzeker van de ene uitgangspositie naar de andere, met alvast een innerlijke blik op mogelijke trajecten die de ballen zouden kunnen volgen. Een taps toelopende stok wordt dan onderwijl afwezig en routineus voorzien van fijngemalen, blauwe stof uit een vierkant blokje, ‘het krijt’ genaamd.

Soms, als de speler na voldoende bezinning in staat lijkt een bepaalde bal een stoot te geven, kan het gebeuren, dat een meedenkende omstander aangegrepen wordt door andere inzichten en zich geroepen voelt dat inzicht te delen met de speler. ‘Bekant snieën van rood en rechts effect’, klinkt het dan bijvoorbeeld dringend. Met als gevolg dat de speler, na een vlaag van hernieuwde bezinning, ofwel zijn oorspronkelijke plan alsnog uitvoert of de welgemeende raad opvolgt.
Wanneer dan vervolgens blijkt, dat de aangestoten bal wèl de rode bal raakt maar de derde rakelings passeert, klinkt het rondom medelevend: ‘Nat nie, hé’. Ook wel eens afgewisseld door: ‘Dat scheelde een haar van een kaal ei’, of: ‘Dat scheelde een Chinese buikhaar’.

De woordenschat waarvan men zich rond het groene laken bedient is, vooral als het gaat om het tekortschieten, schier onuitputtelijk. Is het niet de schuld van de keu, dan ligt het wel aan de voorzienigheid, de statistiek of de temperatuur. Of aan de beheerster van het Dorpshuis die net binnenkomt om de bestelling op te nemen.
Na een reeks resultaten van bedenkelijk niveau is er ook altijd wel een verklaring of een oplossing:
‘Ik ga een hengel van mijn keu maken’.
‘We kunnen maar beter gaan klaverjassen’.
‘Dat is de ouderdom die toeslaat’
‘Het had motte kunne, maar ’t was te dunne’.
‘De bal lag hartstikke dood in dat hoekie’

‘Ketsen’ is de vakterm voor het verschijnsel dat optreedt als de keu niet tégen maar làngs de aanstootbal voorbij schiet. Vaak hoort men dan: ‘En ik kriet toch zo dikkels!’, waarbij ‘krieten’ Zeeuws is voor krijten en staat voor het ruw maken van het puntje van de keu, ook wel pomerans genoemd.
Klotsen is de tem voor een ongewilde biljartballenbotsing en gaat vaak gepaard met de uitdrukking: ‘Dat hattem niet nodig’, of: ‘Godverdegodver. Kenne we die ene bal er niet uitdonderen?’
Bij een zogenaamde stille omgang, waarbij de aangestoten bal geen enkele andere bal raakt, is het: ‘Je rijdt zeker ook al heel lang schadevrij?’, of: ‘De bal trekt overigens wèl een mooi patroon op het laken’.

Ooit probeerde iemand om tijdens het stoten heel hard en kort te schreeuwen, net zoals je dat bij de tennisservice wel hoort.. Maar na vijf keer vond iedereen het wel welletjes. Het was trouwens ook géén gehoor.
Andere mislukte of mondjesmaat gedoogde experimenten waren:
-Een laserpen, die iemand op z’n keu had gemonteerd.
-Het keihard op de grond laten vallen van de keu, juist op het moment dat een speler op het punt staat af te stoten.
-Niet opzij gaan als je iemand in de weg staat die aanstalten maakt z’n positie in te nemen om te stoten, omdat er ‘nergens in de spelregels staat dat je dan opzij moet gaan’.

De heilspreuk: ‘Komt tegader! Komt tegader!’, uitgesproken met geheven armen op het moment dat de bal heel, héél langzaam naar de laatste bal rolt, houden we erin. Niet in de laatste plaats omdat het soms ècht lijkt te helpen.
En zo biljarten we wat af in ons dorpje in Zeeland.
Geplaatst op: Vrijdag 16 oktober 2015 om 08:13 uur
1793957
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld