Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Carmiggelt

(Uitgesproken ter gelegenheid van de onthulling van een portret van Simon Carmiggelt in bodega De Posthoorn op het Korte Voorhout in Den Haag op 11 mei 2007)

Bij ons thuis kwam, toen ik klein was, een soort regionale, Haagse uitgave van het Parool en derhalve heb ik reeds op jeugdige leeftijd veel kennis kunnen nemen van het werk van Carmiggelt in de originele vorm. De Kronkel. Iedere dag een Kronkel maakt een hemdsmouw in het jaar. Ik dacht dat ik zelf een flinke jongen was met de teller op zo’n 1400 columns. Maar Carmiggelt schreef er meer dan 10.000. Als je dat hoort, ben je ineens helemaal geen flinke jongen meer.

Waarom ze mij gevraagd hebben om hier iets over Carmiggelt te zeggen is mij trouwens een raadsel. Want ik ben bepaald geen Carmiggelt-kenner. Wel hou ik erg veel van hem. En heus niet alleen omdat zijn droefgeestige hondenkop daartoe uitnodigt.
Zijn Kronkels gingen in mijn herinnering altijd over troosteloze, oude mannen die in cafe’s met grimmige vrolijkheid dingen zeiden, die je alleen kon zeggen als je er al een leven van kommer en kwel op had zitten. En dan dacht ik: Wat knap van die Carmiggelt, dat hij dat iedere dag maar weer aan wil horen. En dat hij er dan nog over schrijven wil ook.

Nu ben ik zelf een troosteloze oude man met het meeste wel achter de rug. En ben ik wanhopig op zoek naar een cafe, waar iemand zit die mijn grimmige vrolijkheid wil optekenen zoals Carmiggelt dat deed. Tot nog toe heb ik wel geschikte cafe’s gevonden. Maar nog niemand die mijn gezeur wil opschrijven. Dus doe ik dat zelf maar. Niet iedere dag. Godzijdank niet. Maar eens per week.
En na al die jaren is de weemoed en de milde ironie van Carmiggelt mij daarbij nog steeds tot voorbeeld.

Carmiggelt zei ooit eens over zichzelf: ‘Als ik de onderwerpen waar ik verstand van heb tel op de vingers van één hand hou ik nog een stuk of drie vingers over’.
Dat geldt zeker voor ook mij. Zo heb ik absoluut geen verstand van Carmiggelt. Het enige weetje dat ik over hem weet is, dat de naam Kronkel afkomstig is uit het boek ‘Gijsbert Konijn’ van Jeanne Roos. Daarin kwam een worm voor die Kronkel heette. Carmiggelt had zich op de een of andere manier verbonden gevoeld met deze worm. Waarom weet ik niet. En meer weet ik ook niet.

O ja. Toch. Ik weet ook, dat Carmiggelt hier, in dit cafe regelmatig inspiratie opdeed voor zijn columns. En dat hij zelfs een column over dit cafe heeft geschreven. Mede daarom zal ik straks een portret van hem onthullen.

Carmiggelt en cafe’s. Dat is twee handen op één buik. Of, zo u wil, twee handen aan een kelkje genever. Ooit noemde hij het cafe een ‘diepe bedstee in het veilige vaderhuis’. En in die, vaak verlepte cafe’s ging het altijd over vroeger. Vroeger toen alles beter was. Want daarover kan geen misverstand bestaan’.
Dat zei Carmiggelt.
Niet ik.

Ook zei hij: ‘Oudere mensen hebben door de eeuwen heen altijd beweerd, dat het vroeger beter was. Maar tegenwoordig wordt hun leven gecompliceerd door de omstandigheid dat ze daarin gelijk hebben.’

Dat is me uit het hart gegrepen, dames en heren. Ik had het zelf kunnen zeggen. Als ik tenminste zo goed was geweest als Carmiggelt. En als je columnisten diep in hun hart kijkt, zelfs de huidige, voorzover die een hart hebben, dan is dát hun grootste wens: ooit zo goed te worden als Carmiggelt.
Nou kerel, groter eerbetoon kan een columnist toch niet krijgen, zou ik zo zeggen.
(Bij deze woorden onthul ik het portret van Simon Carmiggelt dat tegenover het muziekpodium hangt)
Geplaatst op: Maandag 14 mei 2007 om 18:03 uur
383380
bezoekers
© 2012 - Julius Pasgeld