Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Dan liever de lucht in

(Wegens vakantie bij het Haags Nieuwsblad deze week een column uit De Oud-Hagenaar van 31 december 2010)

Een halve eeuw geleden kreeg je als jongetje van een jaar of 14 tegen oud en nieuw gewoon een half pond kaliumchloraat mee. Je zei gewoon met een onnozel gezicht tegen de apotheker dat het voor je moeder was om haar zere keel mee te spoelen. Maar voor het betere buskruit had je behalve kaliumchloraat ook zwavel en koolstof nodig. De verhouding ben ik vergeten. 

In de apotheek stonden indertijd hele rijen flessen met chemicaliën op planken hoog tegen de muur. Bruine flessen met een platte stop en een groot etiket met de namen van de chemicaliën in het latijn. ‘Hydragynum’ stond er bijvoorbeeld op zo’n etiket. Dat was kwik. Maar dat had je niet nodig. Kaliumchloraat verkreeg je op bovenvermelde wijze. Zwavel heette op het etiket ‘sulfur’ en daar kon je zonder smoesjes zoveel van meekrijgen als je wilde. Wel bij een andere apotheek natuurlijk dan waar je je kaliumchloraat betrok. Voor de benodigde koolstof kocht je een paar doosjes Norit en je had voor een jaar genoeg.

Het mengen der stoffen diende buiten het blikveld der ouders te geschieden met een stamper in een vijzel. Die had je natuurlijk niet. Maar met een papkom en de achterkant van een schroevendraaier ging het ook prima. Wel voorzichtig natuurlijk. Want het verhaal ging, dat het spul al tijdens het mengen en malen ineens kon exploderen.
Als je al je vingers nog had goot je het buskruit in kartonnen kokertjes die je daarna aan de boven- en onderkant dichtmaakte met kauwgom of stopverf. Maar niet voordat je er eerst een lont in had gedaan van een katoenen draad die je van te voren door een mengsel van buskruit en lijm had gehaald.

Zo. Klaar. Het feest kon beginnen. Op de een of andere manier ging het altijd goed. Dat kwam omdat het stiekum moest waardoor je van nature voorzichtig was. Geen van mijn mede-terroristen kwam na de kerstvakantie op school met minder ledematen dan dat hij voor de vakantie had.
Wel is het mij gebeurd, dat ik vanwege de luchtverplaatsing na de knal een keer tegen de vlakte sloeg. Het rotje ging iets te vroeg af waardoor ik te dichtbij stond.
Dat was nog wel in aanwezigheid van mijn vader. Die had ik geroepen om trots de resultaten van mijn zelfwerkzaamheid op het gebied van explosieven te demonstreren. Mijn vader viel ook bijna om. Na de knal sprak hij op eenvoudige toon: ‘Fantastisch, jongen’ en verdween weer naar binnen. Ik begrijp er nog steeds niks van.

Mijn kleinzoon Jurre maakt zijn rotjes niet meer zelf. Maar rookbommen nog wel. Hij stampt een pvc-pijp vol sterretjes en steekt dat aan. Vijftig jaar geleden deden wij dat in de Haagse Klimopstraat anders. Iedere bewoner tussen de 15 en 20 jaar had de morele verplichting zorg te dragen voor 150 gram rookbompoeder. Rookbompoeder maakten we van buskruit (zie boven) en ammoniumchloride in een verhouding van één op één.
Ammoniumchloride is beter bekend onder de naam salmiak. Inderdaad een grondstof voor drop. Maar dus ook voor rookbommen. Je kon er gewoon een brandende lucifer in steken. Dan ging het roken. En niet zo weinig ook.
Iedereen in de straat stortte zijn aandeel rookbompoeder in een grote afwasteil die we dan met z’n allen ter hoogte van het Kamperfoelieplein naar de Laan van Meerdervoort droegen en op de tramrails zetten. Even aansteken en zie: het eerstvolgende halve uur durfde geen trambestuurder meer door de dikke, vette walm die pas nadat er zeven trams achter elkaar stilstonden tenslotte door de wind werd verwaaid.
Ja. In die tijd was dat leuk.
Nu nog steeds, zou ik denken.

Na de jaarwisseling was het kerstbomenjacht. Een verhaal apart. De jacht vond vooral plaats in en rondom de tankgracht in het toenmalige sperrgebiet waar nu globaal de Segbroeklaan loopt. De gevechten hadden een eenvoudig verloop. De ene jeugdgroepering mèt kerstbomen ontmoette juist op een dammetje in de gracht een andere groepering zonder kerstbomen. De jongens zonder kerstbomen waren groter, gooiden de jongens met de kerstbomen in het water en gingen er met de kerstbomen vandoor om even later door een stel nog grotere jongens zonder kerstbomen ook in het water te worden gegooid.
Ik hoorde nooit bij de grootste jongens. Vandaar dat ik nu nog steeds politicus wil worden.
Geplaatst op: Vrijdag 31 december 2010 om 12:57 uur
1698309
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld