Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

De bel gaat...

Het komt in ons dorpje in Zuid Beveland niet zelden voor dat er, als de bel gaat, niemand voor de deur staat. En tòch hadden we de bel gehoord.
Belletjetrek! Geweldig! Dat komt nergens meer voor behalve hier!
Vaak hebben de zondaars zich dan verstopt achter het struikgewas, dat bij ons aan de rand van het park op het Dorpsplein groeit.
Van vroeger weet ik nog, dat belletjetrek het leukst was als de mensen boos werden. Dus als ik weer eens voor niks de deur heb opengedaan ga ik vreselijk te keer in de richting van het struikgewas..
‘Boeven!’, roep ik. ‘Kom tevoorschijn’. En dan doe ik een paar stappen in de richting van het struikgewas waaruit duidelijk gegiechel opklinkt.
‘Ik bel de politie!’, roep ik. ‘En dan gaan jullie de gevangenis in!’.
Want de spanning mag best wat worden opgevoerd. Hoe spannender hoe leuker. Dat weet ik uit ervaring. Bovendien zullen de kinderen van tegenwoordig heus wel weten, dat er heel wat meer voor nodig is om achter tralies te geraken.

Vroeger, toen ik zelf een jaar of tien was, wist ik dat nog niet. Vroeger waren ze veel strenger. Zeker in Den Haag. Daar mocht je niet eens voetballen op straat. Als er een smeris langs kwam nam hij je bal in beslag. In de wijk waar ik woonde had de wijkagent op de bagagedrager van zijn fiets een plankje gemaakt. Dat was om onze bal makkelijker door te snijden met een mes.
Kijk. Dat waren nog eens spannende tijden!

Maar nu rennen de kinderen niet eens weg als ik ze heb opgevist achter de struiken. We maken dan gewoon gezellig een praatje. Waarin ik niet zelden mijn eigen heldendaden op het gebied van kattekwaad uitvoerig de revue laat passeren. Per slot van rekening dient ook deze leerstof te worden overgedragen.

Gisteren ging de bel weer. Toen ik opendeed stonden er twee meisjes van een jaar of twaalf voor de deur.
‘Zeker vergeten om je te verstoppen in het struikgewas, zei ik. Maar nee. Ze waren gekomen voor een heitje voor een karweitje.
‘Niet voor het goede doel maar gewoon voor wat extra zakgeld. U heeft vast wel een karweitje voor ons.
Daar hoefde ik niet lang over na te denken. Dagen was ik al in de achtertuin bezig de gigantische druivenoogst van dit jaar binnen te halen. Dat zouden ze best eens kunnen afmaken.
Maar eerst dienden er onderhandelingen plaats te vinden.
‘Het is ongeveer een half uur werk’, zei ik. ‘Doen jullie dat voor een heitje?’ Maar ze wisten niet wat een heitje was.
‘Een kwartje dan?’, stelde ik voor. Maar daar hadden ze ook nog nooit van gehoord.
‘Oké’, stelde ik voor. ‘Ik noem een bedrag. Als jullie dat te weinig vinden moet je het eerlijk zeggen. Maar als je het teveel vindt, natuurlijk ook. Zeven euro vijftig voor jullie samen. En na een half uur mag je ophouden.
Ze hadden geen enkel bezwaar en togen in de achtertuin onder de pergola aan de slag met een blij gemoed, een paar emmers en een ladder. Intussen zette ik hun fietsen, die ze voor de voordeur hadden gezet, op slot. Dat hoeft hier op het dorp eigenlijk niet, maar zoals al gezegd kom ik uit Den Haag en daar leer je vroeg of laat vanzelf wel om je fiets op slot te zetten.
Na een half uur waren ze klaar en ze vroegen beleefd of ze hun handen mochten wassen. Dat mocht natuurlijk en terwijl ze dat deden keurde ik hun werk en was dik tevreden. Bij de voordeur kregen ze allebei hun fietssleuteltje weer en overhandigde ik ze ieder met een ernstige blik vijf euro.
Te veel? Misschien. Maar omdat ze hun werk goed hadden gedaan en ik er later niet op aangekeken wilde worden dat ik ze had uitgebuit op het gebied van kinderarbeid vond ik het prima zo.

Toen ze wegfietsten woof ik ze na en zij zwaaiden terug.

Hoe simpel kan het leven zijn.
 
Geplaatst op: Donderdag 13 september 2018 om 07:51 uur
1470173
bezoekers
© 2018 - Julius Pasgeld