Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

De bibliotheek in Rijswijk

Onlangs begaf ik mij in Rijswijk naar de bibliotheek. Ze wisten daar kennelijk het verschil niet tussen een pretpark en een uitleencentrum. Als je er een boek over de teelt van tomaten of over het verspenen van gladiolen zocht, leek je alleen maar terecht te kunnen in een glazen kas op ware grootte die daar midden in de bieb stond. En als je wat wilde bladeren in een boek over sport dan diende dat bij voorkeur te geschieden in zo’n hoge scheidsrechtersstoel die bij tennis wordt gebruikt. Het toppunt van debilisering vond plaats in een soort mini-gokhalletje met sofa’s alwaar de jeugd tussen het uitzoeken der boeken ook kon hangen of diverse computerspelletjes kon doen. Alsof de vluchtigheid en de verwardheid der zinnen tegenwoordig al niet genoeg is gediend met allerlei computerrotzooi thuis.

Bij mijn binnenkomst begaf ik me naar de balie waar zich de volgende discussie ontspon:
Pasgeld: ‘Goedenmiddag. Kunt u mij zeggen hoeveel boete ik schuldig ben wegens het te laat terugbrengen van door mij geleende boeken?”
Juffrouw van de bibliotheek (Jvdb): Geef me uw kaart maar. Ik zal even op de computer kijken. (Typ, typ. Zoef, zoef. Staar, staar) ‘Nee. Ik zie het al. U hoeft niets te betalen.”
Pasgeld: ‘En dan nog iets. Ik zag op mijn eigen computer thuis, via internet op uw site, dat ik het boek ‘De Graanrepubliek’ van Frank Westerman nog niet had teruggebracht. Maar naar mijn beste weten heb ik dat wel teruggebracht. Toch heb ik mijn halve huis ondersteboven gekeerd. Maar geen Graanrepubliek.’
Jvdb: ‘We lopen even naar de boeken over Groningen. Kijken of het er staat.’
En ja hoor. Mijn indertijd geleende Graanrepubliek blijkt gewoon tussen de drie boeken te staan die ze daar in Rijswijk over Groningen hebben.
Pasgeld: ‘Dat is ook raar hè. En op de computer stond, dat ik het nog niet had ingeleverd.’
Jvdb: ‘Nee. Dat is helemaal niet raar. Daar krijgen we wel meer klachten over.’

Even later raadpleeg ik op de computer in de bibliotheek of het boek ‘Informatiegebruik door lezers’ van Suzanne Kelderman aanwezig is. Dat blijkt het geval. De computer meldt: ‘Het boek is aanwezig onder nummer 684.98’. Ik naar 684.98. Maar geen boek van Suzanne Kelderman. Ik naar de informatiebalie. Dat is weer een andere balie dan de servicebalie van daarnet.
Pasgeld: ‘Misschien wilt u mij helpen. Ik kan boek ‘Informatiegebruik door lezers’ niet vinden. Maar volgens de computer is het wel aanwezig.
Jvdb2: ‘Natuurlijk. Ik kijk even op mijn computer’. (Typ, typ. Zoef, zoef. Staar, staar.) ‘Nee. Dat boek is alleen voor medewerkers van de bibliotheek. Het is nu ergens anders’
Pasgeld: ‘Maar dat is toch raar. In de computer staat dat het beschikbaar is’.
Jvdb2: ‘Nee. Dat is helemaal niet raar. Daar krijgen we wel meer klachten over. Maar als u wilt, kan ik voor u opzoeken waar het is. Dan krijgt u over een week een telefoontje.’
Pasgeld: ‘Nou, dat lijkt me nogal ingewikkeld. Vooral als er in de computer staat, dat het boek beschikbaar is.’
Jvdb2: ‘Nee. Dat is helemaal niet ingewikkeld. U reserveert het. En ik bel u.’
Pasgeld: ‘Even één ding juffrouw. Als ik zeg, dat ik het ingewikkeld vind, dan vind ik het ingewikkeld. U misschien niet. Maar u werkt hier de hele dag. Dat is wel een verschil. Bovendien ga ik naar de bibliotheek in de verwachting dat ik na afloop van mijn bezoek met boeken naar huis ga. Als u een voorbeeld wil hebben van iets dat níet ingewikkeld is, is dàt het misschien.’

Tenslotte begeef ik me met een vijftal boeken naar het apparaat, waar de lener zelf zijn boeken moet inscannen.
‘U kan geen boeken lenen! Ga voor informatie naar de balie!’, zegt het apparaat.
Ik naar de balie. Welke balie? De servicebalie.
Jvdb1: ‘Goedenmiddag. Wat is er van uw dienst?’
Pasgeld: ‘Ik kan geen boeken lenen. Ik moet naar de balie.’
Jvdb1: ‘We gaan eens even op de computer kijken. Geef uw kaart maar’. (Typ, typ. Zoef. Zoef. Staar. Staar.) ‘Ja. Ik zie het al. U heeft een boete openstaan van tien euro tachtig. Die moet u eerst betalen’.
Pasgeld: ‘Maar daarnet vroeg ik nog hoeveel boete ik schuldig was. Toen was er nog niks aan de hand.’
Jvdb1: ‘Ja. Dat was daarnet. Nu is het weer anders.’

Pas ik nou niet meer bij de bibliotheek? Of past de bibliotheek niet meer bij mij?
Geplaatst op: Maandag 25 september 2006 om 18:29 uur
253944
bezoekers
© 2010 - Julius Pasgeld