Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

De duivel schijt op de grootste hoop

Ja hoor. Daar was Hij weer.
Ik had Hem een hele tijd niet meer gezien. Of ik had geen oog voor Hem gehad. Dat kan natuurlijk ook. Deze keer had Hij zich vermomd als een zwerver.
Gehuld in een haveloze jas, afgetrapte schoenen en met een halfvolle fles whisky in z’n hand zat Hij op een bankje op de Laakkade een beetje met z’n duimen te draaien.

‘Heere, Heer’, zei ik. ‘Wat een genoegen Ù weer eens te ontmoeten. Hebt U er bezwaar tegen als ik even naast U kom zitten?’
‘Ga je gang’, zei Hij. ‘En zeg maar Jìj hoor.’
‘Graag’, zei ik. ‘Hoe is het met Je?’
‘Prima’, zei de Heere Heer en Hij nam een slok. ‘Eerlijk gezegd heb Ik nog nooit zoveel lol in m’n leven gehad als de laatste tijd.’
‘Hoe dat zo?’, informeerde ik. ‘Ik krijg de indruk, dat er juist nu weinig te lachen valt. Neem nou die kredietcrisis bijvoorbeeld.’
‘Ja. Dat is het hem nou juist. Die kredietcrisis. Waartoe hebzucht en egoïsme al niet toe kunnen leiden.’
‘Neem me niet kwalijk, dat ik het zeg’, zei ik. ‘Maar was U het niet zèlf die al die hebzucht en al dat egoïsme heeft ingebouwd tijdens de Schepping?’
‘Nee’, reageerde de Heere Heer een beetje kribbig. ‘Nee. Dergelijke ongebreidelde inhaligheid had zelfs Ik niet kunnen voorzien. Darwin misschien. Maar ik niet. Nou? En? Ben ik daarom een mindere God?’

Juist op dat moment kwam er een wout de hoek om zetten.

‘Aha, Vader’, zei de wout. ‘Betrapt. Je weet toch, dat je het in het openbaar niet op een zuipen mag zetten?’
‘En of ik dat weet’, sprak de Heere die nu bijna van het bankje viel van het lachen. ‘Ik heb het zelf verzonnen.’
‘Dat is dan zestig euro’, zei de wout onverstoorbaar.
‘Dat bedoel ik nou’, zei de Heere, nog steeds nagierend van de pret.
Met één enkele handbeweging schiep Hij een tiet met geld, telde daaruit zes tientjes af , overhandigde die met een sierlijke buiging aan de wout, ging vervolgens op een zeepkistje staan en riep tot de voorbijgangers:

‘Ziet u dat? Een boete voor de allerarmsten!
En waarom? Omdat ze niet thuis, maar op een bankje hun ellende van zich af moeten drinken! En dat, terwijl de grenzeloze schraapzucht en het ongehoorde egoïsme van de rijken nu rijker beloond worden dan ooit. Dát bedoel ik.
Wie schijt er hier nou op de grootste hoop? Ìk toch niet?’

Maar zie: het ging bij de mensen het ene oor in en het andere weer uit.
Geplaatst op: Vrijdag 22 mei 2009 om 13:06 uur
254480
bezoekers
© 2010 - Julius Pasgeld