Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

De ganzen van de Trekvliet

Uit: Haags Nieuwsblad 8 december 2006

Iedere keer als ik er langs kom stap ik even van mijn fiets. En dan tel ik ze. Voor de zekerheid. Want je weet maar nooit of iemand er een opgegeten heeft. Of er paté van heeft gemaakt. Maar het zijn er nog steeds achttien. Achttien spierwitte ganzen die zich langs de oever van de Trekvliet ter hoogte van de Pompstraat dan weer aan de ene kant van het water ophouden en dan weer aan de andere kant. Al jaren.

Deze keer stonden ze allemaal op een rijtje aan de overkant een beetje mokkend te schuilen voor de regen onder twee grote treurwilgen die vanwege de warmte hadden besloten zelfs begin december hun bladeren nog maar even vast te houden. Ook bij de ganzen bleek het warmterecord een doorslaggevende rol te hebben gespeeld bij de beslissing om hier gezellig te blijven overwinteren in plaats van dat hele roteind naar het zuiden te vliegen.
Die achttien ganzen aan de Trekvliet. Dat vind ik een van de mooiste dingen in Den Haag. Dat komt zonder enige twijfel omdat het stadsbestuur zich er (nog) niet mee bemoeit. En laten we dat in Godsnaam zo houden. Want voor je het weet moet er een kinderboerderij omheen worden gebouwd. Of komt er een verordening die het instandhouden van het Haagse ganzenbestand regelt. Of mag je er alleen nog langs fietsen met een vergunning. Ik noem maar wat.

Als ik de ganzen tegenkom zitten ze vaak op het jaagpad langs de Trekvliet met elkaar te ouwemeuten. Meestal stap ik af en loop ik heel langzaam met de fiets aan de hand door om ze niet te storen. Dat is spannend. Luid gakkend en met de grootste tegenzin staan ze dan op om me door te laten. Sommigen blazen zelfs tegen me: “Chchchc, Chchchc.” Met wijdopengesperde snavel. Dat betekent: “Arrogante klootzak! Zie je niet dat wìj hier zitten? Rot toch op!” Soms ga ik even bij ze in het gras zitten. En dan leg ik geduldig uit dat er niets op tegen is om op het gras te gaan zitten. Maar niet midden op het pad. Het pad is om op te lopen, zeg ik dan, zwaaiend met een gebiedend wijsvingertje. Ja toch? De mensen gaan toch ook niet met z’n allen midden op het pad zitten? Praten met elkaar. Het is waarachtig de enige weg naar wederzijds respect.

Dat vind ik nou zo leuk aan die ganzen. Gewoon een stukje natuur midden in Den Haag dat voor zichzelf opkomt. En zich weet aan te passen als het nodig is. Onlangs maakte ik meedat kinderen uit de aangrenzende Molenwijk die ganzen zaten te pesten. Heel begrijpelijk. Af en toe moeten kinderen ganzen kunnen pesten, vind ik. Anders gaan ze later toch de politiek maar in. En dat zou jammer zijn.
Ik was afgestapt en bekeek de pesterijtjes op een afstand met grote belangstelling. Maar het was heel simpel. Na een paar keer “Chchchc” zagen de ganzen in, dat verdere aanspraak op hun gebied geen zin meer had. Ze begaven zich één voor één te water, roeiden zichzelf naar de overkant alwaar ze onder de treurwilgen geduldig het moment afwachtten dat de kinderen vertrokken. Om vervolgens weer terug te roeien en de afgelopen gebeurtenissen nog eens uitgebreid de revue te laten passeren.

Maar wel weer midden op het pad. Geweldig!
Geplaatst op: Vrijdag 8 december 2006 om 11:43 uur
383377
bezoekers
© 2012 - Julius Pasgeld