|
De Haagsche Straatjeugd
Het was een vies, beduimeld boekje dat mijn aandacht trok op de Haagse boekenmarkt aan het Voorhout. De titel luidde: Den Haag en de Hagenaars en het was in 1874 uitgegeven door een zekere J.P. Revers. Op het schutblad stond: ‘Den Haag en de Hagenaars, een nieuwe physiologie’ door Een Haagschen Dwarskijker.
‘Kijk eens aan’, dacht ik. ‘Julius Pasgeld avant la lettre. Ook toen al. Geinteresseerd nam ik kennis van de inhoud en inderdaad: 137 jaar geleden viel er minstens zoveel te mopperen op Den Haag als nu. Maar er was ook lofzang. Enige passages uit hoofdstuk IV, de Haagsche Straatjeugd, wil ik u niet onthouden: ‘Nergens vindt ge den Hollandschen jongen zóó in zijn natuurstaat terug als in Den Haag. Daar vechten ze met geheele legers van schooljongens tegen elkander. Met leijen en schooltasschen, dat het een aard heeft. Het staat me nog als den dag van gister voor de geest, hoe mijn oudste jongen voor een jaar of vier, vijf, met een blauw oog te huis kwam en op mijn vraag, hoe de rekel zich zóó had toegetakeld, antwoordde hij: ‘Pa, dat’s een blessuur, op ’t veld van eer opgedaan; we zijn in oorlog met de Groote Markt (een stedelijke school) en we hebben het gewonnen’. Een Haagsche schooljongen is de verpersoonlijkte onverschrokkenheid. Hij zal tien lessen vergeten te leeren, maar het zal hem nooit uit het geheugen gaan, dat Hendrik of Cornelis hem een klap heeft gegeven, voordat hij behoorlijk revanche heeft genomen; hij zal liever drie keeren per maand op de schoolbanken mankeren, dan eens per jaar in het gevecht tegen de school waarmee de zijne in oorlog is. Onze schoolknapen hebben alles voor elkaar over en een volmaakt begrip van de solidariteit onder de schoolmakkers, zoodat degeen, die zich aan een hunner vergrijpt, met allen te doen heeft. Zij bekladden geregeld drie blauwe kielen per week, dragen hun dassen ’t achterst voren of in het geheel niet en hebben stierlijk het land aan een schoon kraagjen. De ware schooljongen verbergt in de pijp van zijn pantalon geregeld een langen stok, waarmeê hij zich na schooltijd ten strijde begeeft of naar de duinen aan het Kanaal, waar des zomers de grote manoevres plaats hebben. De eigenlijke straatjongen is een figuurtjen van gansch ander allooi. Zijn grootste lust is ‘t, een agent van politie te ergeren, wanneer deze ver genoeg van hem verwijderd is om hem niet te kunnen pakken. Voorts heeft hij een bijzondere liefhebberij in ‘belletje trekken’ en het uitrukken van haar uit paardenstaarten, om daarvan horlogiekettingen te breijen en die aan zijn grooten broer voor drie centen te verkopen. Deze drie centen wendt hij weder, met bijzonder overleg, aan, tot ander genoegen. Voor één cent koopt hij 13 onrijpe pruimen (en neemt er, bij vergissing, 16) ofwel vier dito peren - want hij is een groot liefhebber van ooft; -de pruimenpitten werpt hij ieder dienstmeisjen in ’t aangezicht. De twee andere centen worden besteed om zich een vlieger aan te schaffen, die in het Malieveld wordt opgelaten tot ze in de waterwolken teregt komt, of in een boom.’ Geweldig! Een lofzang op de Haagse jeugd. In 1874. Kom daar nu eens om. Bij het minste worden jongeren al als criminelen afgeschilderd. Bij het geringste vergrijp worden ze beboet. Je moet er toch niet aan denken dat je nu in Den Haag moet opgroeien.
Geplaatst op: Zaterdag 16 augustus 2008 om 17:39 uur
|
383381
bezoekers |