Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

De Haagse Boekenmarkt

Een van de fijnste plekken In Den Haag is toch eigenlijk wel de Boekenmarkt. Vanwege het seizoen nu nog op het Plein maar over een week alweer op het Korte Voorhout. Ja. Ik schrijf het maar even op. Want voor je het weet plempen ze een woontoren op het Plein. Of gaan ze Den Haag op het Voorhout opstouwen in de teloorgang der volkeren met metropolitaan gebral.

Van de week was ik er weer. Heerlijk rommelen en snuffelen. Boeken van de meest uiteenlopende aard. Met in je achterhoofd de hoop, dat je oog ineens valt op een eerste druk van Theo Thijssen voor vijf euro. Of dat je onverwacht een Simenon treft, die je nog niet gelezen hebt.
Zomaar wat bladerend in een oud tijdschrift viel me al direct een gratis, hartverwarmend citaat in de schoot. Het was van Thomas a Kempis. ‘Wie er verlangen naar draagt om tot het inwendige geestelijke leven te komen, die moet ontwijken der mensen gewoel’. Prachtig toch? En meteen al van toepassing op de boekenmarkt. Want het was er niet druk.

Hier en daar stond een zielsverwant wat te bladeren in een zeldzame atlas of wandelde met zijn vingers door een reeks oude, ingekaderde prenten. De handelaren zelf waren onderling in kalme kout verwikkeld. Een onverwacht zonnetje verdreef de huiver van de aflopende aprilmaand uit de botten. Zou die spreuk ook andersom gelden?, vroeg ik me af. Dat personen die het menselijk gewoel opzoeken, juist wars zijn van enige geestelijke diepgang? Als je kijkt naar het gewoel op de feesten in Asta aan het Spui of naar het gedrang voor de kraampjes op de maandelijkse rommelmarkt in Voorburg of naar de uitspattingen tijdens Koninginnenach zou je haast zeggen van wel. Je moet natuurlijk oppassen dat je niet hardop blijk geeft van dergelijke gedachten. Want dat zou van hoogmoed getuigen. Maar eenzaam is het wel. Gelukkig weet men zich juist op de boekenmarkt omgeven door tal van geestverwanten. En dan doel ik op de geesten van de schrijvers die daar op de een of andere manier rondwaren.

Een zonderling loopt hardop pratend de kraamjes af te struinen. Soms pakt hij een boek en zegt dan keihard dingen als: ‘Wat schrok ik toch toen ik hem ineens achter die kast vandaan zag komen!’ Of: ‘Kijk. Ongelooflijk. Daar loopt iemand met een staart!’ Niemand neemt er aantstoot aan. Een enkeling die de pech heeft in zijn buurt te verkeren, reageert met een neutraal: ‘Nou, nou. Het is toch wat, hè.’ Of een hoofdschuddend: ‘Nee toch. Het is niet waar’ en gaat rustig verder met snuffelen. Want belezenheid helpt bij het bijstaan van mensen die in de war zijn of het nog niet zo goed weten. Dat zouden ze in het onderwijs, in de zorg en bij de politie eens goed in de oren moeten knopen.

Boekverkoper Harry onderbreekt zijn gesprek met een collega even om ‘Doe maar 15 euro’ te zeggen tegen iemand die een stapeltje klassieke elpees voor z’n neus houdt. Zelf verlaat ik het Plein met een boek over Bob Dylan voor mijn 35-jarige zoon , drie boekjes uit de Bob Evers-serie voor een vriend die ze spaart en een mooi, in rood leder gebonden exemplaar van de Christenreis van John Buynan uit 1902. Niet dat ik gekerstend wens te worden. Maar dit was een van de geheimzinnige boekjes die die groezelige, bevindelijke oude man uit ‘Knielen voor een bed violen’ sleet aan de vader van Jan Siebelink. Gewoon voor de heb dus.
Want belezenheid is een goede zaak. Maar er zijn grenzen.
Geplaatst op: Vrijdag 2 mei 2008 om 09:48 uur
1635621
bezoekers
© 2019 - Julius Pasgeld