Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

De laatste tevreden Nederlanders

De mei-vakantie is nog maar net begonnen als in onze deeltijdwoning in Zeeland om half tien ‘s ochtends de bel gaat. Mevrouw Pasgeld doet open. Voor de deur staan twee kinderen van een jaar of acht. Een jongen en een meisje. Ze vragen of we een heitje voor een karweitje voor ze hebben. Uit een ver verleden wist mevrouw Pasgeld nog wel wat een heitje voor een karweitje was maar er schiet haar even geen klusje te binnen.
‘Mogen we dan straks weer bij u aanbellen als u iets te binnen is geschoten?’, vragen ze keurig. Dat mag.
Na een halve minuut gaat de bel weer.
‘Is u al iets te binnengeschoten?’, vraagt het meisje.
‘Ja’, zegt mevrouw Pasgeld, ‘ik weet een mooi karweitje voor jullie. Het halletje moet nodig eens worden gedweild. Willen jullie dat doen?’
Dat willen ze wel. Ze krijgen een emmertje sop, een dweiltje en een borstel en even later zijn ze op hun knieën naarstig aan de slag. Na vijf minuten kom ik me eens op de hoogte te stellen van deze vrijwel uitgestorven vorm van dienstverlening.
‘Zo, jongelui’, zeg ik. ‘Lukt het een beetje?’.
Ze knikken allebei zonder van hun werk op te kijken. Maar als ik vraag hoe ze heten antwoorden ze netjes.
‘Ik heet Bas’, zegt de jongen.
‘En ik heet Merel’, zegt het meisje.
‘Dat zijn mooie namen’, zeg ik geheel volgens het boekje. ‘En zijn jullie al met mevrouw Pasgeld overeengekomen hoeveel ze jullie voor dit zware karwei gaat betalen?’
‘Nee’, zeggen ze een beetje verwonderd.
‘Altijd eerst je prijs laten weten’, werp ik deskundig in het midden. ‘Stel je voor. Je ligt hier op je knieen allebei een half uur te boenen en mevrouw Pasgeld zegt na afloop tegen jullie: “Nou, bedankt hoor. Hier hebben jullie samen tien cent”. Dat zou toch vreselijk oneerlijk zijn?’
‘Nee hoor’, zegt Bas. ‘Tien cent vinden wij genoeg.’
‘We zouden het zelfs voor niks doen’, zegt Merel. ‘Want we vinden het juist leuk om de vloer te boenen.’
Daar sta ik. Met mijn mond vol tanden. Wat een ouwe, zielige sufferd ben ik toch ook. Denk ik die Zeeuwse kinderen iets te leren wat ze later in de boze, grote mensenwereld goed van pas zou kunnen komen, staan ze in plaats daarvan mìj de les te leren.
‘Ja’, zeg ik als ik van mijn verbijstering ben bekomen. ‘Ja, daar hebben jullie eigenlijk wel gelijk in. Als het leuk werk is, doe je het natuurlijk graag.’
‘Ja, hoor’, knikken ze ongeduldig. En ik hoor ze denken: Al dat geleuter houdt ons maar van ons werk.
‘Nou, veel succes dan maar’, zeg ik.
Na een kwartiertje zijn ze klaar. De vloer in het halletje ziet er weer uit om door een ringetje te halen. Of ze ook een glaasje limonade willen, vraagt mevrouw Pasgeld. Maar dat willen ze niet.
‘Een kaakje dan?’, dringt mevrouw Pasgeld aan.
‘Wat is dàt nou weer. Een káákje?’, zegt Bas lacherig.
‘Een koekje dan?’, verbetert mevrouw Pasgeld zichzelf. Dat willen ze wel. En ze krijgen allebei 50 cent.
‘Wat was het halletje vies, hè’ zeg ik als ik ze uitlaat.
‘Maar nu is het weer schoon’, zegt Bas.
‘Ook in de hoekjes’, zegt Merel. ‘Daar was het zó vies, dat kon echt wel een schoonmaakbeurt gebruiken’.
En daar gaan ze. De laatste tevreden mensen van Nederland.
Geplaatst op: Vrijdag 7 mei 2010 om 12:00 uur
1698316
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld