Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

De strapatsen van een kribbebijter

(Als ik een Zweedse doorloper invul kom ik soms een mooi, oud, bijna vergeten Nederlands woord tegen. Dat noteer ik dan op een apart blaadje. Ik heb er nu ruim tien A4-tjes vol mee. Hoogste tijd dus om daar een verhaaltje mee te maken!)

De verlaatmeester zat in zijn ketelpak samen met z’n oomzegger vanuit het veerhuis het jonge crapuul gade te slaan dat tijdens de schoolpauze wat stond te luiwammessen bij de waterkering.
‘Sakkerloot’, zei de oomzegger. Kijk me die kribbebijters daar eens strapatsen staan te maken maken bij dat barrevoetse mokkel! En die arme troela lijkt er nog schik in te hebben ook. Maar ze zwicht in ieder geval niet voor de halstarrige nooddruft van dat rapalje’.
‘Da’s maar goed ook’, beaamde de verlaatmeester. ’t Zijn kerels van likmevestje. Het geginnegap van die hufters is om schier tureluurs van te worden’.

Even verderop waren wat jongere blagen krijgertje aan het spelen. Toen ze er genoeg van hadden nuttigden ze hun twaalfuurtje. Een kranige haaibaai van nog geen tien jaar oud leste haar dorst via een zuigbuisje uit een kroes met ranja. Haar peies wapperden in de bries. Anderen hadden wat leeftocht meegenomen dat samen met een pippeling werd genuttigd uit een rieten mandje.
Ook hier bleef het commentaar van de verlaatmeester niet uit.
‘Verhip!’, zei hij. ‘Wat een diversiteit aan leeftocht krijgen die arme drommels tegenwoordig van huis mee: valiezen vol zerpe bommen, ooft, hesp en flan. Om tureluurs van te worden. En als je goed luistert kan ze hier helemaal horen ruften’.
Hetgeen de oomzegger kittelorig beaamde.

Nadat de scholieren weer waren opgehoepeld raakte de oomzegger helemáál hoteldebotel.
‘Sapristie! Ik verveel me hier het hompes’, lalde hij amechtig met een tongval die deed vermoeden, dat hij zijn knevel al in zijn dagelijkse oorlam had opgekuisd. ‘Ik word tureluurs van m’n eigen tirades. Misschien weet jij nog iets waar ik schik in heb, ouwe beuzelaar?’.

Waar het tot nog toe goed had geboterd tussen de verlaatmeester en z’n oomzegger, dreigde er thans gedonderjaag en tweespalt. Of, zo u wil, maltentige bonje en balorigheid.

‘Weet je wat?’, probeerde de verlaatmeester lankmoedig soelaas te bieden aan het gerezen ongerief. ‘Weet je wat? Ik heb hier nog ergens een kamerfiets staan. Wellicht kan je je gegínnegap daarop kwijt?’
Maar halstarrig bleef de oomzegger bij zijn onbillijke sermoenen.
‘Weet je wat? Weet we wat?’, aapte hij de verlaatmeester na. En deed daarbij zijn gaperik zo wijd open, dat voor iedereen die het wilde zien duidelijk werd dat een bezoek aan de smoelensmid geen overbodige nooddruft zou zijn. ‘Weet je wat? Als jij nou eens als de wiedeweerga je ukelele en je rinkelbom tevoorschijn haalde? Dan zullen wij getweeën de wereld onverwijld versteld doen staan van onze muzikale kunne’.

En zo geschiedde.
 
Geplaatst op: Donderdag 23 mei 2019 om 09:11 uur
1601688
bezoekers
© 2019 - Julius Pasgeld