Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

De tokeledokus van Geert Wilders (2)

Het schrijven van een column is een inspannende bezigheid. Onderwerp, invalshoek, de juiste toon en vooral de mate waarin humor kan bijdragen aan de kracht van de boodschap dienen van te voren nauwkeurig te worden afgewogen. Daarvoor heb je, als het goed is, tijd nodig. In een enkel geval zelfs een slapeloze nacht. En als je dan eenmaal aan het schrijven bent vraagt dat nogal wat van je omdat je er nooit helemaal zeker van bent of het gaat lukken.
Het is dan ook geen wonder dat ik, nadat mijn column af is, graag een dutje wil doen.

Zo ook nu.
Maar ik heb me nog niet op de bank geïnstalleerd of ringgg! daar gaat de bel. En dat niet alleen. Er wordt ook heel hard op de deur gebonsd.
‘Open! Doe open!’, hoor ik als ik moeizaam weer opsta om te kijken wat er aan de hand is. Als ik mijn voordeur open zie ik een vijftal hufters van een jaar of twintig driftig met hun armen zwaaien en allerlei dingen roepen waar ik niet direct wijs uit kan worden. Ze hebben petjes op met de V van Vrijheid.
‘Heren’, zeg ik. ‘Waarmee kan ik u van dienst zijn?’ Want men dient onder alle omstandigheden vriendelijk te blijven.
‘Draaikont!’ ‘Relschopper!’ ‘Held op sokken!’, klinkt het nu op uit de gelederen die zich voor mijn voordeur hebben geposteerd.
‘Kunt u zich op de een of ander wijze nader verklaren?’, probeer ik. Maar nee. tevergeefs. De jongelui zijn dermate bevlogen door woede, verontwaardiging en wanhoop dat een humane dialoog niet mogelijk lijkt.
‘Maar waarom ik?’ brengt ik uit.
‘Jij! Jij! Jij hebt in een van je columns geschreven dat Geert Wilders een kleine plasser heeft en daar zijn we niet blij mee!’.
‘Nee’, zeg ik laf. ‘Dat heb ik niet geschreven. Ik heb geschreven dat ik aan het wandelen was met mevrouw Pasgeld. Langs de Maas. En dat er op een brug in Venlo met grote letter was geschreven, dat Geert Wilders een kleine plasser had. En dat ik het een goed idee vond om ook op andere bruggen in Nederland de afmetingen van de tokeledokussen van andere Nederlandse politici te schrijven.’
‘Niks mee te maken, hondenlul!’, schreeuwen ze. En ze beginnen ruw aan me te trekken en te duwen. ‘Mee!’, roepen ze. ‘Naar het interneringskamp! Daar zal je leren om onze grote leider te waarderen en te bewonderen!’
Ze duwen me in een goederenwagon en zonder tandenborstel en pyjama wordt ik afgevoerd.
Als ze mijn blinddoek na een paar uur weer afdoen sta ik voor een bureau waarachter drie hufters in uniform en soldatenpetjes met de V van Vrijheid erop.
‘Naam!’, roept er een.
‘P..P..Pasgeld’, zeg ik. ‘J..Julius Pasgeld’.
‘Hoe groot denk je, dat de plasser van Geert Wilders is’, brult een tweede.
‘G..G..Groot meneer’, zeg ik. ‘Best wel groot. Tenminste, dat denk ik’.
‘Dat je het maar weet!’, roept een derde. Hij komt achter zijn bureau vandaan en begint me op mijn hoofd te slaan en ruw heen en weer te duwen en te trekken. ‘Julius wakker worden. Je moet je column nog schrijven’, hoor ik hem nog zeggen maar als ik mijn ogen open doe blijkt het mevrouw Pasgeld te zijn die me zachtjes aan m’n schouder wakker schud.

Gek is dat. Normaal doe ik altijd een dutje nádat ik mijn column heb geschreven maar nu moet ik toch zijn ingedut vóór het zover was.
Geplaatst op: Vrijdag 1 oktober 2010 om 16:47 uur
1698329
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld