Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Den Haag in 2008


Ik wil mezelf echt niet op de borst schudden maar een voorspelling over wat Den Haag het komend jaar te wachten staat heb ik in een ommezientje uit de mouw getrommeld. Zo moeilijk is dat echt niet. Neem nou ADO. Dat zat daar de hele tijd een beetje mooi weer uit te hangen in dat nieuwe stadion van ze. En dan, zomaar ineens, gaat het niet meer over een leien dakje. Niemand zag het aankomen. Behalve ik natuurlijk. Geen haan op mijn hoofd die naar voetbal kraait, trouwens. Ik zag de buit al hangen toen ze nog in het Zuiderpark speelden. Maar niemand vroeg me wat.

Ook Sportwethouder Sander Dekker niet. Die man, daar kun je geen peil omheen trekken. De ene keer belooft hij met de hand op z’n gat dat de gemeente nooit meer ene cent in ADO steekt. En de volgende dag laat hij de gemeente garant staan voor iemand die bulkt in het geld en acht ton in ADO investeert. Niemand weet nog wie die geheimzinnige man is. Ik wel. Zal ik het zeggen? Nee. Het is niet Jozias van Aartsen. Hoewel die het heerlijk zou vinden om met al die rijkgeworden Haagse groentenboeren en andere vrolijke pioniers van de vooruitgang in de Business Unit bij de middellijn iets in de Haagse pap te brokkelen. Nee. Het is niet Josias van Aartsen.

Ik zal u zeggen wie het wel is. Het is Mark van der Kallen. Leer mij Mark kennen. Ik heb Mark nog in Rijswijk in de klas gehad. Toen al was het een geweldige kerel die graag met rijkgeworden groentenboeren en al die andere vrolijke pioniers van de vooruitgang iets in de Haagse melk zou willen brokkelen. Mark! Neem nou wat aan van je ouwe leraar. Als je het mij vraagt blijft ADO-Den Haag voorlopig nog wel even met je kwartjes in het riet gestuurd worden. Maar ja. Jij krijgt je kwartjes in ieder geval terug als je investering mislukt. Ik niet.

En dan wat anders. Dat fluitende Strijkijzer op het Rijswijkseplein. Dat blijft voorlopig ook nog wel even fluiten. Vijf maanden geleden zei wethouder Norder daarover: ‘Die fluittoon? Mensen die daar de hele dag last van hebben moeten dat zien als een klein dingetje. Dat probleem is zo opgelost’. Dat klonk de omwonenden die daar de hele dag last van hadden toen, vijf maanden geleden, als zoete broodjes in de oren. Toch hadden ze beter moeten weten. Als Norder zoiets zegt kun je de kalender er op naslaan dat het nog wel even gaat duren voordat het in die omgeving zo stil is dat je een muis kan horen vallen.

Moet ik het nog hebben over dat standbeeld van vrouwe Justitia aan de Scheveningse haven? De man die op dat idee is gekomen is niet te stuiteren. Hij heeft een lampje horen rinkelen en weet niet waar de lepel hangt. Maar die juffrouw met die blinddoek en die weegschaal zal straks wel te zien zijn van Den Helder tot Cadzand. Dat kun je op je buik aanvoelen. Zo gaat dat hier wel vaker. Een historisch museum. Een huis voor de democratie. Ze denken in Den Haag dat alles maar koek en ei is wat er blinkt. Maar zo is het natuurlijk niet.
Ik moet u eerlijk bekennen dat ik van al die dingen wel eens over mijn stuur raak. Dan zie ik het somber zitten en moet ik vechten om de moed niet te laten hangen. Maar dan ineens is de tering weer verworpen en schiet het me te binnen dat er toch ooit eens een tijd zal aanbreken dat ze, zelfs in Den Haag, gewoon gaan doen. Dat ze eens ophouden met al die gewichtigdoenerij. Dat ze eens stoppen met dat bezig zijn met zichzelf. Dat we al die Haagse politieke kletsmajoors eens de tong snoeren en leren wat beschaving, bescheidenheid en deemoed is.

En waarom zouden we daar in 2008 niet mee kunnen beginnen? 

(Onder de lezers die denken te weten hoeveel malapropismen in deze column zijn verwerkt wordt een zilveren rijksdaalder uit 1929 verloot).
Geplaatst op: Zondag 30 december 2007 om 21:40 uur
254480
bezoekers
© 2010 - Julius Pasgeld