Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Doekjes voor het bloeden in Den Haag

Soms moet ik nog wel eens in Den Haag zijn. Maar als ik eerlijk ben bedrukt zo’n bezoek me met almaar toenemende benauwenis.
In Zeeland, waar ik nu al bijna tien jaar woon, heeft iedere inwoner vier keer zoveel ruimte om zich heen als een Hagenaar. In Zeeland moet je als automobilist goed uitkijken of er een auto aan komt. Want als dat het geval is moet je stoppen. In Den Haag moet je daarentegen goed uitkijken of er GEEN auto aan komt. Want dan kan je misschien doorrijden. Als je in Zeeland iets onverhoeds overkomt, staat er altijd wel een Zeeuw klaar om je geheel belangeloos uit de narigheid te helpen. Maar als je in Den Haag moet zijn -waar volgens de schrijver Bordewijk de gezonde lach opmerkelijk zeldzaam is geworden en vervangen lijkt door het lachen in het vuistje- doe je er goed aan altijd een plattegrond, een kompas, proviand voor een week, een reddingsvest en het nummer van de alarmcentrale bij je te hebben.

Neem me niet kwalijk. Maar ik kan het niet laten. En dat terwijl ik me nog zó voorgenomen had me nooit meer negatief over Den Haag uit te laten. Het bloed kruipt kennelijk waar het niet gaan kan.
Aanleiding is een bericht in AD Haagsche Courant van 24 augustus jongstleden met de kop: ‘Ruimtegebrek dwingt Den Haag de lucht in’.
Waar heb ik dat eerder gelezen?, dacht ik en ineens wist ik het weer. Dat was dertien jaar geleden. In 2004. Toen de pas aangestelde wethouder van haast, herrie en hoogbouw, Marnix Norder, de Haagse inwoners eveneens voorhield dat ‘ruimtegebrek Den Haag de lucht in dwong’. En vervolgens allerlei plantsoenen en perken ging bestemmen voor torenflats die de omliggende bewoners hun zon en hun rust zouden ontnemen. Want behalve de VVD, die dat allang wist, had Norder al heel snel door dat het in een grote stad als Den Haag helemaal niet om de bewoners gaat. Alleen toerisme, de indruk naar buiten en de belangen van de bouwwereld tellen.

En thans, dertien jaar later, laat bouwwethouder Joris Wijsmuller, die dat inmiddels ook door heeft, zijn stadsbouwmeester Erik Pasveer zeggen: ‘We doen het op z’n Haags. We beoordelen al die hoogbouw project voor project, op basis van onze kwaliteitseisen. Met duidelijke kaders over dak, begane grond en horizon.’
Andere woorden dus voor: ‘Hoe maken we het nòg drukker in Den Haag’. Of, zo u wil: ‘hoeveel langer dan nu moeten we over 10 jaar wachten voordat er eindelijk eens geen auto aan komt.

Wijsmuller (HSP) verschuilt zich nog even achter: ‘Ahum, sorry hoor. Maar ik moet nog even aan mijn bouwvisie schaven’. Waarmee hij bedoelt dat het ballonnetje van Pasveer natuurlijk eerst moet peilen of de Hagenaars na het lezen van al dat bouwnieuws inmiddels misschien al murw zijn geslagen alvorens hij een uitspraak doet. Want de aanhouder, die vecht voor de belangen van de bouwwereld, wint altijd. Ongeacht of die nu Norder of Wijsmuller heet.

Voor alle duidelijkheid nog een paar citaten van de belanghebbenden bij de ‘nieuwe’ hoogbouwplannen:
Erik Pasveer: ‘Ik ga geen maximale bouwhoogtes noemen. We gaan niet met een potloodje een lijn trekken’.
Hans Karsenberg: ‘Het gaat niet om de omvang van de wolkenkrabbers. Het gaat erom of de straat er beter van wordt, veiliger, prettiger, mooier. De sleutel ligt vaak op ooghoogte. Als de ‘plint’van een gebouw mooi wordt, levendig, groen, toegankelijk, dan maakt de hoogte niet veel uit’.
Wienke Bodewes: ‘Zo’n toren heeft ook meerwaarde: de hele buurt wordt sterker. Er komen extra functies!’

Doorzichtiger doekjes voor het bloeden zijn de Hagenaars, naar mijn weten, tot nog toe niet aangeboden.
Maar als het allemaal tòch doorgaat zal ik, nadat ik Den Haag weer eens heb moeten aandoen, fluitend en nòg blijer van zin naar Zeeland terug rijden.
 
Geplaatst op: Donderdag 31 augustus 2017 om 07:54 uur
1308689
bezoekers
© 2017 - Julius Pasgeld