Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Droom

Ik ben 14 en loop naar school. Anders fiets ik altijd naar school maar nu is mijn fiets kapot en moet ik lopen. Ik kom door straten die ik nauwelijks ken. De hele route komt me trouwens nogal vaag voor. Grachten. Smalle trottoirs langs hele hoge huizen. Alles om me heen lijkt anders dan op de fiets.

Ik draag een tas waar allerlei dingen inzitten die ik er vijf jaar geleden in heb gedaan maar waarvan ik niet zeker meer weet of ze er nog steeds inzitten. De tas is veel te vol. Er moet echt wat uit. Maar wat? De vijftien spijkerbroeken? De stapeltjes buitenlandse valuta? De boeken die nog geschreven moeten worden? Ik ga zitten, doe mijn ogen dicht, graai in de tas en smijt eruit wat voor mijn handen komt.

Verder maar weer. Nu zelfs door openbare gebouwen heen. De voordeur in en na een tocht door allerlei zalen en kamers de achterdeur weer uit. Als ik de uitgang tenminste vinden kan. En dan kom ik weer terecht op een route die me vaag bekend voorkomt.
Gelukkig laat mijn richtinggevoel me niet in de steek. Ik weet toch zeker wel hoe ik naar school moet lopen! Kom nou!
Aan de rand van een gracht ga ik zitten om nog meer spullen uit mijn tas te gooien.

De tijd dringt. Als ik niet oppas mis ik het eerste uur op school. Ik ken mijn rooster nog niet uit mijn hoofd. En ik heb mijn schoolagenda per ongeluk ook weggegooid. Dus weet ik ook niet welk vak ik het eerste uur moet volgen.
Het is nog maar de vraag of ik het tweede uur haal. Want ik heb nog een hele tocht in het verschiet.
Verder maar weer.

Dan, op een dijkje naast een paar hoge huizen, ontmoet ik een stel Turkse en Marokkaanse jongens die een stuk jonger zijn dan ik. Ze zien me moeizaam voortmodderen en vragen of ze me kunnen helpen. Ik zeg: ‘Nee, jongens. Erg aardig van jullie, maar laat me liever met rust’. Dat doen ze niet. Pas buiten de stad ben ik weer alleen en rust uit op een dijkje naast een molen.
Nadat ik in alle stilte nog meer spullen uit mijn tas heb gegooid ontdek ik, dat ik niet zo goed tegen drukte kan. Het liefst heb ik eigenlijk helemaal geen mensen om me heen. Ik moet alleen zijn.
Dus vanaf dat moment probeer ik mijn route naar school zoveel mogelijk door bossen en velden te lopen. Daar is de kans op een ontmoeting met mensen zo klein mogelijk. Met mijn resterende richtinggevoel weet ik nog steeds ongeveer hoe ik naar school moet lopen.

Maar dan ineens. Als het tot me doordringt, dat ik waarschijnlijk ook het derde uur niet meer zal halen, besluit ik niet meer naar school te gaan.
Nooit meer.

Vanaf nu zal ik het leven gaan leiden van een zwerver. Mijn tas, met daarin alleen nog een paar schone sokken en een plattegrond van de stad waar ik ooit woonde, werp ik verre van me.

Ik ben alleen en zoek ik het allemaal zelf wel uit.
 
Geplaatst op: Donderdag 16 augustus 2018 om 08:29 uur
1470169
bezoekers
© 2018 - Julius Pasgeld