Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Een nieuw vest

Het moet er maar eens uit. Waar het mijn plunje betreft gedraag ik me als een excentrieke kwibus. In niets wens ik me te onderscheiden. Mijn overhemden zijn zonder uitzondering effen. Geen patronen, dessins of andere frivoliteiten. Laat staan belettering.
Verder bezit ik drie pantalons. Alle drie jeans. In de kleuren blauw, zwart en lichtbeige. Lichtbeige? Is dat niet wat frivool, denk ik ’s ochtends wel eens als mijn blauwe broek in de was is en ik voor de moeilijke keuze sta mijn zwarte of mijn lichtbeige aan te trekken. En dat wordt in negen van de tien keer natuurlijk de zwarte.
Onderbroeken en sokken idem. Allemaal zwart. Eén mandje met onderbroeken en één mandje met sokken.
Tenslotte nog twee vesten. Twee omdat er wel eens een in de was moet. Maar dat is dan ook de enige reden.
En dat was het wel zo’n beetje. Mijn kleding vormt het enige volstrekt overzichtelijke onderdeel in mijn leven. Nooit gedoe. Nooit bereddering of stampei.

Maar heel soms gaat het mis. Dan is mevrouw Pasgeld bijvoorbeeld van mening, dat er iets versleten is. Of dat het ‘zo niet langer kan’. Ik begrijp absoluut niet waar ze het over heeft en weet het gesprek in zo’n geval altijd onmiddellijk in andere banen te leiden. We hebben nu ruim veertig jaar min of meer regelmatig met elkaar te maken dus mevrouw Pasgeld weet zolangzamerhand dat ze het er dan bij moet laten. Maar in de tijd die daarop volgt ontwikkelt ze een ondoorzichtig, maar buitengewoon sluw systeem om me met steeds korte durende tussenpauzes te herinneren aan de noodzaak van de vervanging van mijn plunje. Die wat mij betrof, nog jaren meekon.

En dan ineens is het gebeurd voor ik het weet. We zijn bijvoorbeeld gewoon boodschappen aan het doen. En ineens sta ik in een herenmodezaak. En zie ik mezelf in de spiegel met een ander vest aan. ‘Wie is die man?’, roep ik dan. En: ‘Wat een idioot vest heeft-ie aan!’. Mevrouw Pasgeld staat dan achter me te grijnzen.
‘Leuk’, zegt ze. ‘Daar knap je echt een stuk van op’.
‘Niks leuk’, roep ik terug en ruk het vest weer van mijn lijf. Maar nog geen minuut later zie ik mezelf weer met een ander vest in de spiegel.
‘Leuk’, zegt ze weer.
‘Helemaal niet leuk’, roep ik opnieuw.

Meestal is het verblijf in zo’n herenmodezaak gelukkig maar van korte duur. Want als ik een keer vergeet om ‘niet leuk’ te zeggen staan we na een kwartier al weer buiten. Met in mijn ene hand een tas vol boodschappen. En in mijn andere hand een papieren tas met een nieuw vest erin.
‘Nou’, zegt mevrouw Pasgeld. ‘Was dat nou zo erg?’. Ze gooit er nog een schepje bovenop door eraan toe te voegen: ‘Als we thuis zijn trek je je nieuwe vest gelijk aan. Dan kan wat je nu aan hebt, gelijk in de was en gooi ik dat andere vest, dat in de kast hangt gelijk weg. Want dat kon ècht niet meer.’

En dan hul ik me maar in zwijgzaamheid. Want als je geschoren wordt, moet je heel stil blijven zitten.
 
Geplaatst op: Vrijdag 3 februari 2017 om 08:24 uur
1244578
bezoekers
© 2017 - Julius Pasgeld