Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Eindelijk rust

Omdat mevrouw Pasgeld en ik zolangzamerhand genoeg hadden van alle rare fratsen in het westen van het land begaven we ons bij wijze van vakantie naar Groningen. Wij wisten niet dat Groningen zo dichtbij was. Maar wat een rust! Een huisje langs een brug over een kanaal was al heel wat in het Oldamt. En ronduit verliefd werden wij op het landschap rond de sluizen van Nieuw Statenzijl. Daar, in het uiterste noord-oostelijke puntje van Nederland bevond zich werkelijk niets. Zelfs de kust ontbrak in de gebruikelijke zin des woords. Het land ging gewoon onmerkbaar over in zee. Zonder de landschappelijke hik van duin, strand of bijbehorend kustvertier dat de ontmoeting van land en zee elders zo kenmerkt. Ergens, tussen Oude- en Nieuweschans, heb ik mijn hart verloren. Wie het vindt, moet het maar terugbezorgen. Dat kan per pakketpost. Te retourneren naar het westen van het land. Het gebied van de korte lontjes, de ongezeglijke territoriumdriftjes en de ambtelijke poeha.

We toerden enige dagen door de graanrepubliek en het wat zuidelijker gelegen Westerwolde. Een historie vol bittere anarchie en Mansholtse manipulatie lag er nog duimendik voor het oprapen. Op een moment dat net even buiten de alomvattende controle van Onze Lieve Heer viel geraakten wij te Hongerige Wolf.
‘Kijk’, zei ik tot mevrouw Pasgeld. ‘Hier staat een huisje te koop’. En ik wees op een van zes woninkjes die zich bezijden een gemaaltje ophielden langs een vaart en een weggetje. We stapten af en bezagen het stulpje van nabij. Het was vrijstaand, telde twee woonlagen, bezat een moestuintje, een ruime bleek en een schattig gastenverblijf. Ook de staat van het huisje was zodanig, dat er in de nabije toekomst weinig tot geen onderhoud te vrezen viel

‘Hier gaan we wonen’, sprak ik zo beslist dat mevrouw Pasgeld ervan schrok. Maar ik zag mezelf op de bovenverdieping mijn columns al typen voor het zolderraam waarbij ik dan werkelijk tientallen kilometers ver uitkeek over het wuivende graan.
Onze aanwezigheid had de aandacht getrokken van de bewoners van het huisje. Een oudere heer en zijn echtgenote kwamen op ons af en vroegen of ze ons ergens mee konden helpen. ‘Ja’, zei ik. ‘Wij zouden graag de vraagprijs van uw huisje vernemen’. Dat was tegen geen dovemansoren gezegd. Of wij wilden of niet, wij werden binnen genood en kregen een rondleiding door de woning. Op de bovenverdieping was het uitzicht inderdaad overweldigend. Ik werd er zelfs een beetje duizelig van. Zoveel ruimte was in het westen van het land ongekend. Wat een wonder dat er te Den Haag en omstreken wel eens benepen wordt gedacht, schoot het door me heen.

Bij de koffie ontstond een gezellige kout met de eigenaren van het huisje. Het bleek dat zij uit het westen des lands kwamen en het huisje vier jaren geleden in Hongerige Wolf hadden laten bouwen. Vol verwachting hadden zij het toen betrokken met het oog op de te verwachten rust. Het bleek aldra dat zij niet in die verwachting waren teleurgesteld. De vrouw des huizes had heerlijk in de moestuin kunnen werken. Haar echtgenoot had ongehinderd op de eerste verdieping artikelen kunnen schrijven, uitkijkend op tientallen hectaren golvend graan.
‘Maar waarom verkoopt u het huisje dan?’, vroeg ik.
Het was even stil.
‘Tja’, hernam de man het woord. Het leek of het luchten van zijn hart flink wat tijd zou nemen. Maar hij zei alleen maar: ‘Onze kleinkinderen wonen zo ver weg, hè. We willen wat dichter bij ze gaan wonen.’
Verkooptechnisch gezien was dit het juiste antwoord. Want het was natuurlijk niet slim geweest om te melden dat er geen ander vertier dan een moestuin en wat geschrijf voor het raam te vinden was in een omtrek van 15 kilometer. Dat er binnen diezelfde straal noch een supermarkt, noch een terras aanwezig was. Dat het uitzicht op het wuivend graan op den duur deed verlangen naar een dchtbewoonde wijk waar schreeuwende buurkinderen in een zwembadje vlak naast je op warme dagen de rust in eigen achtertuin verstoorden. En dat je de tocht naar Nieuw Statenzijl na achtentwintig keer niet alleen met je ogen dicht kon, maar liever ook wilde fietsen.

Toch had het niet veel gescheeld of ik had daar over vier jaar zelf aan iemand staan uitleggen dat de kleinkinderen toch wel wat ver weg woonden.
Geplaatst op: Zondag 30 juli 2006 om 16:35 uur
383380
bezoekers
© 2012 - Julius Pasgeld