Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

`Er zit een vlieg op de bal`

Met zekere regelmaat probeer ik in het Dorpshuis met een stok ballen op een tafel tegen elkaar aan te laten botsen.
Eigenlijk kan ik helemaal niet biljarten maar ik doe altijd net alsof. Dan stoot ik bijvoorbeeld mijn stootbal zo hard, dat-ie net zo lang heen en weer tegen de stootranden stuit, dat er, statistisch gezien, grote kans is, dat-ie de andere ballen wel móet raken. Of ik krijt, langdurig peinzend, mijn pomerans om de indruk te wekken na te denken over de te volgen strategie.
‘Snieën over rood’, zegt Jantje (92) dan wel eens als het hem te lang gaat duren. En dan legt hij me geduldig uit hoe ik moet snieën want dat vergeet ik steeds. Of Geerard merkt meelevend op: ‘Het zou motte kunne, maar niet te dunne.’

Elke zucht naar vooruitgang en betere prestaties is ons vreemd. Iedereen op mijn biljartclubje streeft slechts gezelligheid, humor en kameraadschap na. Zo leven we allemaal intens mee met de pechvogel die het nèt niet lukt om een carambole te maken. Dan blijft de bal bijvoorbeeld op nog geen millimeter afstand voor de laatste bal liggen. ‘Nàt nie-hé’, zegt Lou dan. En vervolgens putten we ons allemaal uit in complimenten om de overige kwaliteiten van de stoot onder de aandacht te brengen. Daar kon ‘nog geen vloeitje’ meer tussen, zegt Hannes bijvoorbeeld. Waarna ik inbreng, dat het volgens mij ‘nog geen Chinese buikhaar scheelde’. Want dat zeiden we in de jaren vijftig in Den Haag als iets net wel of net niet op het nippertje was.

Graag ook zitten we elkaar een beetje te zieken. Zo bleef Ger eens precies op de plek staan, waar ik, toen ik aan de beurt was, zou moeten staan om enig kans op een carambole te maken. ‘Er staat nergens in de spelregels, dat je opzij moet gaan voor iemand die aan de beurt is’, zei hij. Pas later had ik door dat het een grapje was. Ik nam wraak, door op ongeoorloofd gedrag te wijzen toen Ger het krijtje opzij schoof voordat hij ging stoten. ‘Beurt voorbij!’, riep ik. ‘Het mag alom bekend worden verondersteld, dat het krijt niet verplaatst mag worden vlak voor een stoot’.

Er zijn dagen bij, dat we de sterren van de hemel spelen, Series van vier, vijf , zes caramboles per beurt zijn dan geen uitzondering. Tijdens het uitvoeren van zo’n serie verschijnt er gaandeweg een hemelse glimlach op het gezicht van de biljarter. Het overkomt mij ook wel eens. Het is een soort van klaarkomen na een lange reis. Op zo’n moment blijkt dan eindelijk, dat ik tòch kan biljarten. ‘Hou eens op’, grapt men om mij heen. ‘We willen graag vóór het eten weer thuis zijn’. Met een minzaam glimlachje neem ik de complimenten in ontvangst en been, een stuk zelfverzekerder dan voorheen, om de biljarttafel heen, teneinde op professionele wijze mijn positie te bepalen voor de volgende stoot.

Maar soms gaat het mis. En dat is dan nog zachtjes uitgedrukt. Wel eens een hele middag lang. Geen stoot wil lukken. Niet alleen bij mij, maar bij iedereen.

Zelden ligt dat aan onszelf.
Vaak wel aan de ligging van de ballen. Statistisch gezien is het namelijk onvermijdelijk, dat de ballen een hele middag lang wel eens zó komen te liggen, dat zelfs Keulemans grote moeite zou hebben er nog wat van te maken.
Soms ligt het ook aan Marlies, de uitbaatster van het Dorpshuis, die op onverwachte momenten komt vragen of de heren nog wat willen gebruiken. ‘Je haalt me helemaal uit m’n concentratie’, zeggen we dan tegen haar. En Marlies vindt het allemaal best.
Een heel enkele keer ligt het echt aan de Goddelijke Voorzienigheid. Maar daar gaan we verder niet op in. Of aan het materiaal. ‘Die ballen zijn te groot’, meende Hannes eens. En mat ze de volgende keer met een schuifmaat na. En inderdaad, de gele bal bleek een doorsnede te hebben van 61,1 millimeter terwijl dat 61,0 millimeter moest zijn. Ook heeft Hannes eens met een waterpas onderzocht of het biljart wel rechtstond en heb ik zelf met een laserpen gecontroleerd of er wellicht paranormale invloeden rond de biljarttafel van invloed waren op ons spelgedrag.

Laatst zat er een vlieg op een bal. Louis was aan de beurt. Zijn stoot liep helemaal in het honderd. ‘Dat kwam door die vlieg’, riep Louis.
En hij vervolgde met: ‘Is het jullie wel eens opgevallen, dat er nooit een vlieg op de witte of de gele bal zit?’
Nee. Dat hadden we nog nooit gemerkt. Maar we begonnen er op te letten. En na een paar weken bleek, dat àls er een vlieg op een bal zat, dat het dan altijd op de rooie was.

Kijk. Dat bedoel ik nou. Ä’chte biljarters was dat nooit opgevallen.
Geplaatst op: Vrijdag 26 juni 2015 om 08:49 uur
1793992
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld