Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

`Goeiemiddag, politie`

Een tijdje terug reed ik met mijn scootertje op een fietspad naast een verharde weg door de weilanden. Ik kon kilometers om me heen kijken en in geen velden of wegen was er iemand te zien. Kom, dacht ik. Ik trek het gas eens open. En ja hoor. Daar ging ik. Veertig, vijfenveertig en kijk, bijna vijfenvijftig kilometer per uur. Het was een bromscootertje met een blauw kentekenplaatje dus hoefde ik geen helm op en de wind wapperde heerlijk door mijn haren maar eigenlijk mocht ik maar vijfentwintig.
Vroeger, heel vroeger, had ik een motor gehad. In een tijd waarin je bij hondertwintig zelfs nog geen helm op hoefde. Dus ik dachtr: effe gassen. Hier kan het in ieder geval geen kwaad.

Al een end voor de bebouwde kom hield ik me weer keurig aan de regels maar ineens stopte er een wout vlak voor me met ‘Stop, politie’ knipperend door z’n achterraam. Ik kon nog net op tijd remmen en voor ik het wist stond er iemand naast me die zei:
‘Goeiemiddag, politie’.
‘Ook goedenmiddag’, zei ik. ‘Waarmee kan ik u van dienst zijn?’
‘Wij hebben een tijd achter u aangereden en moeten helaas constateren dat u zich niet aan de maximumsnelheid hield. Wij hebben daar beelden van en als u wilt kunt u die even bekijken’.
‘Nee’, zei ik. ‘Dank u. Die beelden zie ik wel op de tv als u de de blits gaat maken met uw bemoeienissen. Dan zie ik ook gelijk van welke enorme afstand u mijn overtreding stiekum hebt vastgelegd.’
‘Dat moet u zelf weten’, sprak de wout. Dan krijgt u binnenkort bericht van de officier van justitie, die gaat beslissen of u uw rijbewijs mag houden. Want u reed wel ruim twee keer harder dan is toegestaan. Wilt u daarover nog iets verklaren?’
‘Nee’, zei ik. ‘Of  wacht even. Eigenlijk wel. Kunt ù zich identificeren?’
‘Jazeker’, zei de agent en toonde zijn politiepenning.
‘Nee, dat bedoel ik niet’, zei ik. ‘Ik bedoel of u zich kenbaar kunt maken als mens. Als normaal denkend mens die ook in het menselijk verkeer z’n mogelijkheden en z’n grenzen weet.’
‘Nee’, zei de agent. ‘Ik heb alleen maar m’n politiepenning.’
‘Dat dacht ik al’, zei ik. ‘Ik zal het voor deze keer door de vingers zien maar zorg er in het vervolg voor, dat u zich als een weldenkend mens gedraagt. En verder moet ik uw naam en uw nummer noteren in verband met de aangifte die ik helaas tegen u zal moeten doen.’
‘Aangifte? Aangifte? Wat nou weer?’ zei de agent.
‘Jazeker’, zei ik. ‘Ik dien een aanklacht tegen u in wegens het klakkeloos toepassen van regels zonder nadere beschouwing van de situatie. Ik kon in die polder, toen ik daar helemaal in mijn eentje vijftig reed niemand kwaad doen. Hoort u? He-le-maal níemand!  Nou? Heeft ù daarover nog iets tot uw verdediging te zeggen?’
‘Krijg nou wat’, zei de agent.
‘Gaan we een beetje lopen schelden?’, zei ik. ‘Dat kunt u maar beter laten. Daarmee drijft u de zaak nodeloos op. En daar is niemand mee gebaat. Als u volhardt in uw bedreigingen rij ik wel even mee naar het bureau. Dan kunnen we daar gelijk een procesverbaal opmaken. En blijf vooral filmen’. Dat laatste tegen de cameraman.

Wat later zag ik mezelf op de tv in ‘Wegmisbruikers’. Andreetje van der Toorn vroeg op z’n kistje aan Koos Spee wat de politie nou aanmoest met zo’n betweterig, hardleers scooterrijdertje.

‘Gewoon met verrekijkers vanuit de bosjes blijven bespieden’, zei Koos. ‘Want dergelijke verkeersdeelnemers vertonen een gedrag waarmee ze hun eigen leven en dat van anderen in gevaar kunnen brengen.’
Geplaatst op: Vrijdag 20 februari 2015 om 09:02 uur
1793987
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld