Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Het Zuiderstrand

Het Zuiderstrand. Op sommige, wat oudere plattegronden ook wel het Stille Strand genoemd. Zo heet het Haagse strand tussen de Kwartellaan-opgang en het Zuiderhavenhoofd. Toen ik klein was gingen we er vaak heen. Met de tram. Lijn 3, die toen nog een keerlus had op de plek waar de Kwartellaan op de Laan van Poot uitkomt. Of met lijn 12 tot het Markenseplein. In beide gevallen was het dan nog een heel eind lopen over het duinpad naar het strand. En dat met tassen vol zonneschermen, handdoeken, limonadesiroop, schepnetjes en badpakken.

Een badpak? Jazeker. Mijn moeder had een badpak voor me gebreid dat, als het nat was met het zanderige kruis tot aan mijn knieën hing. En dat gaf allemaal niks. Het was ook niet erg, dat er nog geen strandtenten waren op het Zuiderstrand. In die tijd deden we het gewoon nog zonder strandtenten. En dat ging, ik verzeker het u, heel erg goed.

Later ging ik met mijn eigen kinderen naar het Zuider- of Stille Strand. Vaak sprongen we dan over de kieren van de cementen blokken die tegen het Zuiderhavenhoofd lagen opgestapeld. Doodeng. Met soms wel vijf, zes meter donkere leegte onder je, waar je, als je goed keek, de krabbetjes tussen de wegsijpelende of opkomende zee zag wegspurten. Als je niet durfde springen hoefde dat niet. Niks geen competitie of X-factor. Dat was toen allemaal nog niet. En ik verzeker u: dat ging goed. Heel erg goed.

Ook ’s winters wandelden we vaak over het Zuider- of Stille Strand. Soms was de zee echt wild. Golven stormden op je af, tuimelden om in hun haast en schuimden helemaal tot aan de plek waar het strand overging in de duinen. Die plek kon je toen nog goed zien. Want op het Zuider- of Stille Strand waren geen strandtenten, geen verbods- of waarschuwingsborden, geen hekken, geen vuilnisbakken of andere dingen die je aan mensen deden herinneren.
Het Zuider- of Stille Strand. De plek in Den Haag waar Hagenaars tot zichzelf konden komen om daarna blijmoedig weer aan de slag te gaan in Den Haag.

Maar o, jee. Wat horen we daar luid toeterend en bellend om de hoek komen? Ja. Hoor. Daar heb je ze weer. De stoet van geldverdieners, patjepeeërs, rijkgeworden groentenboeren, onrijpe politici en al die anderen die, vanwege de leegte hunner harten geen andere invulling aan hun bestaan weten te geven dan nog rijker en beroemder te worden dan ze al zijn. En die daar cruise-terminals, hoogbouw, luxe villa’s, strandtenten, festivals, ronkende motoren, overvolle parkeerterreinen, bakken vol toeristen en appartementen met uitzicht op zee voor nodig hebben.
De stoet nietsontziende, en alles opvretende rupsjes nooitgenoeg. Die met hun uitbreidingsplannen voor Scheveningen de herinneringen van de vorige generatie vermalen onder hun stampvoeten. En die de volgende generaties het zicht ontnemen op een werkelijke wereld.
Want zicht op de werkelijkheid is alleen mogelijk, als je af en toe eens afstand kan nemen van het menselijk bedrijf. Afstand van de verhaasting, de verhoging, de verdichting en de ontgroening.
Vroeger kon dat nog.
Op het Zuider-, of Stille Strand.
Geplaatst op: Donderdag 9 april 2009 om 15:43 uur
254480
bezoekers
© 2010 - Julius Pasgeld