|
Hoe het niet moet in Den Haag
Het is september 1973. De Haagse wethouder W.H.A. Nuy staat op de zevende etage van het zojuist gereedgekomen Centraal Station in Den Haag.
Hij legt uit, dat hij buitengewoon trots is op dit hoge, fiere gebouw dat in de plaats is gekomen van het oude Staatsspoor aan de Rijstraat. “Je ziet hoe het niet moet”, zegt hij naar beneden wijzend op de ouderwetse woonhuizen uit 1870 aan de Francois Valentijnstraat. Enthousiast blikt hij terug op het werk van zijn wethouder-voorgangers. “Die hebben erg veel goeds gedaan, zoals het ministerie van Binnenlandse Zaken en het ministerie van Justitie. Daardoor is Den Haag veel mooier geworden”, zegt hij blij. Het Centraal Station past volgens de wethouder in dat rijtje. Nuy is duidelijk niet bang voor hoogbouw. Ook niet voor vereenzaming, onvoorspelbare valwinden en fluittonen rond de rest van de geplande hoogbouw in Den Haag. “Fluittonen?”, zegt hij luchtig. “Mensen die daar de hele dag last van hebben, moeten dat zien als een klein dingetje. Dat is geen probleem.” Het is juli 2007. De Haagse wethouder M. Norder staat op de 42ste etage van een van de hoogste gebouwen van Den Haag: het zojuist gereedgekomen ‘Strijkijzer’aan het Rijswijkseplein. Hij legt uit, dat hij buitengewoon trots is op dit 130 meter hoge, fiere gebouw, dat zo maar uit het drukste plein van Den Haag is verrezen. “Je ziet hoe het niet moet”, zegt hij naar beneden wijzend op de logge, jaren zeventig panden van het Centraal Station, de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie. Enthousiast blikt hij terug op het werk van een van zijn voorgangers, partijgenoot Peter Noordeinde. “Hij heeft erg veel goeds gedaan, zoals de Hoftoren, de Koningstunnel en de hele opzet rond het Malieveld. Daardoor is Den Haag veel mooier geworden”, zegt hij blij. Het Strijkijzer past volgens de wethouder in dat rijtje. Norder is duidelijk niet bang voor hoogbouw. Ook niet voor vereenzaming, onvoorspelbare valwinden en fluittonen rond de rest van de geplande hoogbouw in Den Haag. “Mensen die daar de hele dag last van hebben, moeten dat zien als een klein dingetje. Dat is geen probleem.” Het is januari 2035. De Haaglandse wethouder A. el Kanfaoui staat op de 278ste etage van het zojuist gereedgekomen nieuwe Haagse Stadhuis. Hij legt uit, dat hij buitengewoon trots is op dit 844 meter hoge, fiere gebouw dat in de plaats is gekomen van het verouderde en lelijke IJspaleis van Richard Meijer. “Je ziet hoe het niet moet”zegt hij naar beneden wijzend op de kneuterige bouw van het Strijkijzer, van de Hoftoren, de Haagse Tieten, het ministerie van Justitie en al die andere afzichtelijke architectuur uit het begin van deze eeuw. Enthousiast blikt El Kanfaoui terug op het werk van zijn voorgangers. “Die hebben erg veel goeds gedaan, zoals het 203 verdiepingen tellende Tweede Nationale Historische Museum aan het Spui, het 345 verdiepingen tellende Paleis van Justitie in het Haagse Bos en het 520 verdiepingen tellende politiebureau in het Zuiderpark. Daardoor is Den Haag veel mooier geworden”, zegt hij blij. Het nieuwe Stadhuis past volgens de wethouder in dat rijtje. El Kanfaoui is duidelijk niet bang voor hoogbouw. Ook niet voor vereenzaming, onvoorspelbare valwinden en fluittonen rond de rest van de geplande hoogbouw in Den Haag. “Mensen die daar de hele dag last van hebben, moeten dat zien als een klein dingetje. Dat is geen probleem.”
Geplaatst op: Vrijdag 20 juli 2007 om 21:56 uur
|
254480
bezoekers |