Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Houd Braaf Stand

Het begon op mijn zesde.
Van mijn moeder moest ik een paar preitjes en een kropje sla halen bij de groenteboer in de Azaleastraat. De groenteman -Huisman heette hij- vroeg mij daar voor de grap of ik HBS ook zo’n goeie club vond.
HBS, Quick en Ado waren Haagse sportverenigingen. Dat wist ik wel. Ik wist ook dat HBS ‘Houd Braaf Stand’ betekende, dat Quick het Engelse woord was voor ‘Vlug’en dat ADO stond voor ‘Alles Door Oefening’. Ook wist ik dat dat sportverenigingen waren. Maar welke sport daar werd beoefend? Nee. Daarover tastte ik in het duister. En van mijn vader hoefde ik het ook niet te hebben want die hield helemaal niet van sport.

Meneer Huisman achtte dat een buitengewoon gebrek aan goede opvoeding. Hij vond het zelfs zó verschrikkelijk zielig voor me, dat hij een paar dagen later aan mijn moeder vroeg of ik met hem mee mocht naar een thuiswedstrijd van HBS.
Dat mocht. En zo zaten we de volgende zondag naast elkaar op de bok van het paard-en-wagen van meneer Huisman op weg naar het HBS-stadion aan het eind van de Sportlaan. Prachtig vond ik dat. Een auto was natuurlijk nog mooier geweest maar die had toen bijna niemand. En meneer Huisman had wel een paard-en-wagen waarmee hij de groente rond bracht in de buurt en waarmee we nu dus naar HBS gingen.

De lol was er gauw af. We moesten het stadion in. Daar zaten zoveel mensen, dat ik er bang van werd. En toen die mensen even later om de een of andere wonderlijke reden allemaal tegelijk begonnen te schreeuwen dacht ik eerst dat ze boos op mij waren omdat ik het als klein jongetje gewaagd had hun heilgdom te betreden.

Meneer Huisman legde mij geduldig uit, dat het de bedoeling was, dat de voetballers op het veld met hun voeten een bal in een soort vangnet tussen twee palen en een bovenlat te schoppen. Er waren twee vangnetten. Eén aan de ene kant van het veld en één aande andere kant.
Telkens als ze met de bal in de buurt van dat vangnet kwamen begonnen de mensen weer te schreeuwen. Maar meestal zorgde één voetballer (die om onbegrijpelijke reden wèl met z’n handen aan de bal mocht komen) er dan voor, dat de bal niet in dat vangnet kwam.
Waarom hij dat deed was mij niet duidelijk. Dus vroeg ik meneer Huisman waarom hij dat deed. Het ging er toch immers om, dat de bal juist wél in dat vangnet kwam?
Uit zijn antwoord begreep ik, dat er twee partijen waren. De ene partij moest ballen in het vangnet aan de línkerkant trappen, de andere partij moest dat in het vangnet rechts doen. Heel ingewikkeld allemaal. Vooral toen na de pauze bleek, dat dat juist weer andersom moest.

U begrijpt het al. Ik liep daar die zondagmiddag een soort trauma op waar ik nu nog steeds, iedere keer als ik het woord ‘voetbal’hoor, last van heb.

Toch heeft het ook z’n voordelen. Het sportkatern van de krant hoef ik nimmer door te nemen. De tijd die ik daarmee bespaar wend ik dikwijls aan voor, in mijn ogen, wat nuttiger dingen zoals zorgeloos genieten van het leven.
Noch hoef ik urenlang gekluisterd te zitten aan de beeldbuis om me op te winden over allerlei onbegrijpelijke flauwe kul. In plaats daarvan neem ik bijvoorbeeld kennis van de inhoud van een zorgvuldig, door mij zelf gekozen boek.

Mensen die wèl aan sport willen doen zonder zèlf te sporten, moeten dat vooral niet laten. Mijn zegen hebben ze. Leven en laten leven.

Als ik maar niet hoef.
 
Geplaatst op: Vrijdag 26 mei 2017 om 08:20 uur
1244581
bezoekers
© 2017 - Julius Pasgeld