Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Houthakker in de Sahara

Waarom schrijf ik toch altijd zo negatief over dingen die in Den Haag gebeuren? Is dat omdat ik nu in een klein, Zeeuws dorpje woon waar alles wat minder hectisch toegaat, waar nooit verkeersopstoppingen zijn en vrijwel alles nog groen is?
Is dat omdat ik wat ouder en kribbiger word en omdat vroeger heus niet alles beter was, maar wel bijna alles?
Of is dat, omdat ik er nu niet meer zo middenin zit en wat meer ruimte en tijd heb om stil te staan bij waar het uiteindelijk om zou moeten gaan in het leven?

Ik denk alledrie.

Met enige regelmaat komt Junior (hij is nu 25) bij ons op bezoek.
Hij woont op de zestiende etage van een torenflat in het hartje van Den Haag. Af en toe neemt hij kennis van mijn schrijfsels.
‘Wat heb je tegenwoordig toch tegen Den Haag?’ zegt ook hij.
En dan leg ik uit, dat ik helemaal niets tegen Den Haag heb. Dat ik er geboren ben en dat ik er het grootste deel van mijn leven met buitengewoon veel genoegen gewoond heb. Dat ik het nog steeds een van de mooiste steden van Nederland vind. En dat dat vooral zo moet blijven. Al was het alleen maar omdat hij er dan zelf ook van kan blijven genieten.

‘Maar ik vind Den Haag nù juist geweldig’, zegt hij dan.
‘Je hebt me niet gehoord’, wijs ik hem dan terecht. Want we blijven natuurlijk vader en zoon. ‘Ik zei: “Dat moet vooral zo blijven!”’.
Maar dan begrijpt hij nog steeds niet wat ik bedoel en ik hou verder maar mijn mond.

Maar onbevredigend is dat wel.
Want de kans is groot, dat Junior me over tien, twintig jaar met bestraffende blik vraagt: ‘Waar was jij toen Den Haag werd verkloot? Waar was jij, toen het Haagse college de stad weggaf aan een stelletje kermisbazen die met hun commerciele graaiklauwen alle inwoners bloot stelden aan een onafzienbare stoet toeristen? Waar was jij, toen de Hagenaars grapjes maakten over de Haagse wethouder Boudewijn Revis, die vroeger, voordat hij deel uitmaakte van het college, houthakker was.
‘Houthakker?’ vraagt een Hagenaar. ‘Zo’n iel mannetje?’
‘Jazeker’, is het antwoord. ‘Houthakker in de Sahara.’
‘Maar daar staan toch helemaal geen bomen?’, vraagt die Hagenaar weer.
‘Nee. Nou niet meer’, is het antwoord.

Misschien kan ik mijn motivatie om Revis belachelijk te maken nog het best uitdrukken met andermans woorden. Met het gedicht ‘Toekomstvisie’ van Daan de Ligt bijvoorbeeld.


‘Een stad waar je de stilte nog kunt horen
Zo zal de Haagse toekomst moeten zijn
Met oude bomen, menig stijlvol plein
Een meesterwerk als in de tijd bevroren.

Een stad die straalt, waar vrede wordt geboren
De ziel gekoesterd wordt als porselein
Die dienstbaar is, maar tevens soeverein
En die zich door geen waan laat ringeloren

Een stad die niet wil bruisen, niet wil scoren
Die waakt voor hoogmoed en voor schone schijn
Een trots en onbedorven kroondomein
Wat ingetogen, maar wel uitverkoren.’

Grandeur is niet verbonden aan een toren
Wie groot kan denken, houdt het laag en klein’

Zo. Dan hoort u het ook eens van een ander. 








Geplaatst op: Vrijdag 5 februari 2016 om 08:36 uur
1229466
bezoekers
© 2017 - Julius Pasgeld