Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

In de brillenwinkel

Of moet je ‘optiekzaak’ zeggen? Ik weet het niet meer hoor. Overal zijn tegenwoordig twee woorden voor. Eén woord waarmee je kan laten zien, dat je er bij hoort. Dat je interessant bent. En goed bij de tijd. En één woord waarmee je onopvallend, ronduit en gewoon kan zeggen wat je bedoelt.

Brillenwinkel dus. Mevrouw Pasgeld en ik zaten in de brillenwinkel te wachten op onze beurt. Want we waren toevallig allebei tegelijk aan een andere bril toe. Gezellig. Zoiets houdt de goede band tussen ons ook op wat hogere leeftijd in stand.

Eerst ging het om het montuur. Een enorme wand met brillen in alle mogelijke soorten en maten lokte ons vriendelijk toe. Ik was meteen klaar. Ik zocht even naar een montuur dat het meest leek op dat van mijn vorige bril en klaar was Kees. Maar bij mevrouw Pasgeld lag dat wat anders. Na veel passen en meten had ze zeventien brillen verzameld die ze allemaal nog eens één voor één op haar neus zette om ze via de spiegel aan een nader oordeel te onderwerpen. Dat resulteerde tenslotte in een verzameling van vijf brillen. Die werden vervolgens één voor één opnieuw opgezet. Maar nu om mijn oordeel te vernemen waar het ging om een eventueel passende verhouding tussen de kleur, de vorm en de impressie van het montuur in relatie tot de karakteristieke trekken van haar gezicht.
Op die manier bevond ik van enkele monturen dat ze iets teveel haar wat minder riante gelaatstrekken benadrukten. Terwijl andere monturen juist het beoogde tegendeel schenen te bereiken. Met andere woorden: met sommige monturen scheen mevrouw Pasgeld er nóg aantrekkelijker uit te zien dan ze doorgaans toch al deed.

De zaak werd er niet eenvoudiger op toen een andere dame, die daar ook brillen stond te passen, mij eveneens bij voortduring begon te raadplegen over dezelfde kwesties. Maar dan bij haar. Want het spiegelbeeld waar ze zelf over beschikte was natuurlijk leuk. Maar als het om een bril gaat moet vooral een ander daar naar kijken.

De brillenverkoopster (opticienne?) was inmiddels toegesneld. Het viel haar al gauw op, dat ik mevrouw Pasgeld met mijn suggesties en goede raad wat behoedzamer benaderde dan die vreemde dame. Als excuus mag misschien gelden, dat het geven van brillenadvies zeker mijn dagelijkse werk niet is en dat ik daar in die winkel weinig tijd had om mijn oordelen goed te funderen.
Zo zei ik bijvoorbeeld tegen die vreemde dame, nadat ze voor de zoveelste keer mijn mening had gevraagd:
‘Dat lijkt wel een zwembril’ of ‘Nee, met die bril op zou ik u bepaald niet uit eten vragen’. Terwijl de adviezen voor mevrouw Pasgeld, die ik natuurlijk al ruim veertig jaar ken, wat genuanceerder lagen.

Gelukkig nam de opticienne, die zelf trouwens ook een prachtige bril op had, de dame van mij over en kon ik mij tenslotte beperken tot de mededeling aan mevrouw Pasgeld dat de drie brillen, die haar selectie uiteindelijk hadden doorstaan, haar alle drie even leuk stonden. En dat ze nu verder zelf de knoop maar moest doorhakken.
Dat bleek evengoed nog ruim twintig minuten in beslag te nemen.

Daarna waren de lenzen aan de beurt. En hoewel lenzen de uiteindelijke essentie van een bril vormen, wisten we daar gelukkig allebei niks van. Zodat die keuze, na wat proefjes met een testbril, uiteindelijk door de opticienne kon worden gemaakt en we na ruim anderhalf uur weer op straat stonden.
 
Geplaatst op: Donderdag 12 juli 2018 om 08:37 uur
1430848
bezoekers
© 2018 - Julius Pasgeld