Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

In het stemhokje

Nog nooit heb ik het uitbrengen van mijn stem zo onbelangrijk gevonden als deze keer. Naarmate je ouder wordt dringt steeds meer tot je door dat het niet uitmaakt of je door de hond of de kat wordt gebeten. Maar dat niet alleen.
Ook het idee, dat er mensen zijn die weken, zo niet maandenlang voor radio, tv en pers staan te verkondigen dat zíj de beste zijn, gaat je steeds meer tegenstaan.
En op een van die mensen zou dan je ook nog eens moeten stemmen? Kom nou toch.

Ook mevrouw Pasgeld zag het niet zitten. Op de dag van de verkiezingen was ze uithuizig. Dus vroeg ze mij van te voren of ik namens haar een stem wilde uitbrengen. Ook dat nog. Oproepen, identiteitsbewijzen, fotokopieen, verklaringen, handtekeningen, alles moest in orde worden gemaakt en klaargelegd. Driemaal vroeg ik haar op wie ik dan namens haar moest stemmen. Drie maal antwoordde ze dat ze het nog niet wist. Maar dat ze me daar tijdig van op de hoogte zou stellen.

Nadat ik mevrouw Pasgeld in alle vroegte op de verkiezingsdag had uitgewuifd en ze om de hoek was verdwenen, drong het pas tot me door dat ze helemaal vergeten was om haar politieke voorkeur door te geven. Ik belde haar diezelfde ochtend op, trof haar midden in een vergadering en vroeg haar zachtjes welke politicus zich in haar begunstiging mocht verheugen. Of had ik een blanco volmacht? En kon ik zelf m’n gang gaan?
‘Doe maar Jesse’, zei ze zo luid dat er in de vergadering aan de andere kant van de lijn geen twijfel kon ontstaan over de politieke voorkeur van mijn echtgenote.
‘Ja hallo!’, wierp ik nog tegen. Je stemt niet op iemand omdat-ie er zo leuk uitziet! Je stemt op iemand omdat je er vertrouwen in hebt, dat hij het schip van staat vier jaar lang met vaste hand naar de volgende veilige haven leidt. En dat heeft dus niks met uiterlijk te maken!’.
‘Doe maar Jesse’, zei ze weer.

Ik wist genoeg. Gewapend met een pak papier, een tas vol lege flessen en een humeurig gemoed toog ik naar de flessenbak naast het Dorpshuis waar ik mij van mijn lege flessen kon ontdoen zodat mijn gang naar de stembus toch nog enige zin had gehad en vervolgens naar het Dorpshuis zelf waar men het nodig had gevonden de biljartzaal geheel te bezetten met stemhokjes, tafels, stembussen en wat dies meer zij. Zodat mijn wekelijkse biljartspel op woensdag ook al geen doorgang kon vinden.

Nadat ik de voorzitter voorzien had van al mijn identeiteiten, die hij vervolgens bestudeerde alsof ik zojuist uit een IS-kampement was vertrokken reikte hij mij twee enorme stembiljetten aan. In het stemhokje vouwde ik één stembiljet uit met een air alsof ik een bed aan het opmaken was. Maakte daarop het hokje voor Jesse rood, trachtte vervolgens gedurende een minuut of tien het stembiljet weer in zijn oorspronkelijke vorm te krijgen. Hetgeen niet tot overweldigend succes leidde. Ik wandelde het stemhokje uit en verkondigde met luide stem aan de voorzitter van het stembureau in het bijzonder, en aan alle twaalf mensen die op dat moment in het stemlokaal aanwezig waren in het algemeen, dat ik één stembiljet in de bus ging deponeren en één stembiljet mee naar huis zou nemen om in te lijsten en boven mijn bed te hangen.

De voorzitter van het stembureau knikte ten teken dat hij me had begrepen en ik mocht weer gaan.

Thuisgekomen zag ik, dat ik per ongeluk een blanco stembiljet in de stembus had gedaan en een stembiljet met een rood vakje voor Jesse Klaver mee naar huis had genomen.

Ach, wat maakt het allemaal ook eigenlijk uit.
 
Geplaatst op: Vrijdag 17 maart 2017 om 08:07 uur
1308695
bezoekers
© 2017 - Julius Pasgeld