|
Jan Piet Snot en de kabouters van het IJspaleis
Jan Piet Snot woonde met zijn vrouw aan de Kalvermarkt tegenover een enorm wit gebouw dat het ijspaleis werd genoemd.
Nu gebeurde het de laatste tijd, dat er vooral ’s nachts een hoop herrie uit dat paleis kwam. Jan Piet Snot kon er niet van slapen. Vaak kroop hij dan van ellende uit zijn bedstee en ging voor het raam van de keuken naar het ijspaleis zitten kijken. En dan dronk hij een paar fikse borrels van de genever die hij elk jaar zelf stookte van aardappelschillen. Soms hoorde of zag hij dan wel eens wat. Een gerucht of een schim van een puntmuts voor de ramen van het ijspaleis. Dan ging hij weer naar bed om de slaap te vatten en soms lukte dat ook. Op een goede nacht was de herrie uit het paleis echter niet te harden. Jan Piet Snot trok de stoute schoenen aan en ging eens kijken wat er aan de hand was. Met een dikke jas over zijn pyjama liep hij naar de overkant en rommelde wat aan een deurtje dat als achteringang van het paleis dienst deed. En kijk, het slot gaf zowaar mee. Voorzichtig sloop hij de gangen door in de richting van het geluid, dat uit een van de grote zalen scheen te komen. Toen hij, daar eenmaal aangekomen, door een kier van de deur keek, tartte wat hij zag iedere beschrijving. Vijfenveertig kabouters van niet meer dan 80 centimeter groot waren daar als een dolle met elkaar aan het vechten. De ene oorvijg na de andere werd uitgedeeld. Het bloed spatte in het rond. Jan Piet Snot had voordien nooit in kabouters geloofd. Hij geloofde alleen in de dingen die hij met zijn eigen ogen kon zien. Maar nu zag hij ze toch? Of was dat het gevolg van teveel aardappelschilgenever? Ooit had hij wel eens wat over kabouters op internet opgezocht. Wikipedia had hem geleerd, dat kabouters doorgaans kwaadaardig zijn, moeilijk te benaderen en dat ze ’s nachts, als iedereen op één oor lag, de meest verschrikkelijke dingen uitvraten. ‘Stadskabouters’, zo had hij ergens anders gelezen, ‘kunnen zèlf helemaal niks. Daarom bemoeien ze zich graag met gewone, grote mensen. Ze schrijven die mensen dolgraag voor hoe ze zich moeten gedragen, hoeveel ze moeten betalen voor de meest onnozele dingen, hoelang ze moeten wachten voor kruispunten waar in geen velden of wegen ander verkeer te zien is en of ze al dan niet buiten op een terrasje een dekentje nodig hebben waaronder ze dan al dan niet mogen roken.’ Dat alles had Jan Piet Snot, toen hij er kennis van nam, met een korreltje zout genomen. Maar wat er zich nu voor zijn ogen afspeelden was het levende bewijs dat het allemaal wel degelijk waar was. Tussen de rondvliegende puntmutsen, uitgetrokken baardharen en kapotgetrapte, draadstalen brilletjes ving Jan Piet Snot flarden op van officiële papieren waarop het allemaal met schrikbarende nauwkeurigheid was vastgelegd. Ineens kreeg een van de vechtende kabouters Jan Piet Snot in de gaten. Geschrokken sprong deze uit het zicht van de deuropening. Te laat. Een lichtflits trof hem in het rechteroog. Jammerend liep hij naar huis om zijn vrouw te vertellen wat er was gebeurd. Die werd kwaad en liep met de deegrol in de hand naar het ijspaleis om de kabouters eens flink de waarheid te vertellen. Maar daar had het kleine volkje niet op gewacht. Ze waren gevlucht en hadden alle zoete broodjes die ze hadden gebakken, meegenomen.
Geplaatst op: Vrijdag 12 december 2008 om 09:48 uur
|
384200
bezoekers |