|
Junior koopt een I-Phone
Vandaag kwam Junior thuis met een I-Phone. Hij is nu 19, geniet een ruime toelage, verdient er genoeg bij en moet zelf maar weten waar hij zijn geld aan uitgeeft.
Trots liet hij zien wat zijn nieuwste aanwinst allemaal kon. Op de meeste mogelijkheden was ik zelf nooit gekomen. Laat staan, dat ik er ooit om verlegen zou zitten. Het enige dat niet kon, was er mee copuleren, geloof ik. Maar voor de rest kreeg ik de indruk dat zo’n I-phone je, behalve je adem ook vrijwel al je initiatieven ontnam. Niets hoefde je meer zelf te kunnen. Nergens hoefde je nog moeite voor te doen. Het weer, internet, e-mail en wikipedia zaten er al standaard op. Ook kon ik op een plattegrond zien waar ik was. Het deed er nauwelijks toe, dat ik dat gewoon, vanuit mezelf al wist. Zo mooi was het allemaal. Er zat ook een soort route-planner op, zodat je voor de rest van je leven het schamele restje orientatiegevoel dat je van nature nog had, ook al bij het grootvuil kon zetten. Je kon er 85 miljard liedjes in kwijt. Ook kon je er mee telefoneren. Dat vond ik nog wel het grootste wonder. Dan tikte je gewoon een nummer in en dan hoorde je bijvoorbeeld de stem van je vriend die zich heel ergens anders bevond. En dan kon je gewoon met elkaar praten. O nee. Sorry. Dat is technisch al een tijdje mogelijk, geloof ik. En ineens herinnerde ik me dat ik zelf ook zoiets had. Maar dan aan een snoertje, dat ergens in de muur verdwijnt. Verder zat de I-Phone vol grappen en grollen. Zo kon je net doen alsof je bier uit je i-phone dronk en dan zakte de hoeveelheid bier op je schermpje vanzelf. Ik vond het eigenlijk te genant voor woorden. Niets had je meer nodig, behalve een vingertje om op een plaatje te drukken. En dan kon je verder vrolijk flierefluitend uit je neus gaan staan eten. Ik kreeg trouwens de indruk, dat zelfs dat per I-Phone kon. ‘Wat vind je ervan?’, vroeg Junior trots nadat hij me 15 van de 3.456.700 mogelijkheden had gedemonstreerd. ‘Geweldig jongen’, zei ik uit de grond van mijn hart. ‘Waarom heb je zelf eigenlijk geen i-phone?’, vroeg hij. ‘Moeilijke vraag’, zei ik. En inderdaad kon ik me niet herinneren dat onze dialoog de laatste twee jaar zulke diepgang had gekend. ‘Het komt er geloof ik op neer, dat ik al die dingen die die I-Phone kan, zelf ook wel kan. Alleen kost het me iets meer moeite. Soms moet ik dan namelijk een paar meter lopen om het op te zoeken in de boekenkast. Of ik wacht even met bellen, totdat ik weer thuis ben. Of ik raadpleeg even een atlas. Of ik gebruik echt bier om zien hoe mijn glas leegklokt. En ik heb trouwens al een fototoestel om foto’s te maken.’ ‘Fototoestel!’ Direct nadat ik dat woord had gezegd, zag ik mijzelf in de ogen van mijn zoon op slag veranderen in een nog ouwere lul dan ik al ben.
Geplaatst op: Vrijdag 4 september 2009 om 10:52 uur
|
254475
bezoekers |