Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Kleine weemoed

De afgelopen tien jaar schreef ik eens in de veertien dagen een bladzijde vol nostalgie in het tijdschrift De Oud Hagenaar. Dat zijn 250 afleveringen. Ze gingen over mijn eigen herinneringen aan vroeger maar ook over die van anderen. Ordners vol weemoed kreeg ik terug van van mijn lezers.
Een bloemlezing met de mooiste voorbeelden daarvan wil ik u niet onthouden:

● De kiestoon tussen het kengetal en het abonneenummer bij het draaien van een interlokaal telefoonnummer.
● De teksten ‘Comestibeles’ en ‘Cigares et cigarettes’ op winkelruiten.
● Twee keer per dag post in je brievenbus. Eén keer rond acht uur ’s ochtends en één keer rond het middaguur. Dat werd in 1969 één keer per dag.
● Een druppel nagellak op je nylon om verder ladderen te voorkomen.
● Het blauwe hoekje van je belastingaangifte dat je rechtsboven moest afknippen om haast achter de afhandeling te zetten.
● Je autoraampje met een slingertje naar beneden draaien om je buitenspiegel bij te stellen.
● Tochthonden. Rollen opgevuld textiel. Soms in de vorm van honden met pootjes en een hondenkop aan een langgerekt lichaam. Werden ’s winters tegen de tocht aan de onderkant van ramen en deuren gelegd.
● Een naald aan een draadje boven je hand laten bungelen. Als de naald een citkel beschreef zou je eerste kind een meisje worden. Als hij alleen maar heen en weer ging werd het een jongen.
● Het verplichte belastingplaatje om het achterspatbord van je fiets. Bij ‘steuntrekkers’werd er een gat in dat plaatje gemaakt. Dan kon iedereen zien, dat je een armoedzaaier was.
● Autokentekens die begonnen met de letter van de provincie waar ze vandaan kwamen.
● Poten. Om te bepalen wie het eerst een teamgenoot bij een sprtwedstrijd mocht kiezen. ‘Laatste hele’, ‘laatste halve’en ‘bruggetje sluit’waren de voorafgemaakte afspraken om het poten te verfijnen.
● Als je een pakje sigaretten kocht bij de sigarenboer’ vroeg hij bij het afrekeken: ‘Alvast eentje opsteken, meneer?’. En als je ja zei, maakte hij je pakje open, schudde een sigaret naar voren die hij je aanbood. Daarna kon je hem zelf aansteken aan een koperen gasbrandertje met een blauw vlammetje dat op de toonbank was gemonteerd.
● Om het tweede tv-net te ontvangen moest er een speciaal kastje tussen het antennedraad en de antenne-ingang van je tv.
● Wekenlang deed het gerucht de ronde, dat als je een metalen klerenhanger uit het raam hing en die met een draad aan de antenneingang van je zwart-wit tv verbond, dat je dan kleurentelevisie kreeg.
● Het kwartje viel. In openbare telefooncellen moest je, nadat je verbinding kreeg, op een knop drukken om het kwartje dat je erin had gedaan te laten vallen. Als je dat niet deedkon je degene die je belde wel horen, maar hij of zij jou niet.
● Uitwasbaar maandverband van katoen.
● Ezeltje rijden op het strand.
● Een voetbal met een vetersluiting.
● Het gevoel dat je bekroop als de juf je rug afdroogde na het schoolzwemmen.
● De met lammy gevoerde, kunstleren handkappen op het stuur van je fiets.
● Littekens op hje bovenarm van de polio- en pokkenprikken.
● Puddingstukjes bij de banketbakker waren goedkoop maar zwaar en moeilijk verteerbaar. Dat was geen wonder want de ingrediënten waren koekkruimels en andere etensresten die aan het eind van de dag bijeen waren geveegd van de vloer van de bakkerij.
● Kolensjouers hadden altijd een jute zak op het hoofd als ze kolen voor de kachel van hun auto naar het kolenhok moest brengen. De vloer van het huis werd dan belegd met oude kranten waar ze met hun schoenen vol antraciet op konden lopen zonder de vloerbedekking vuil te maken.
● Het station Hollands Spoor in Den Haag. Een puffende stoomlocomotief. Dichtslaande treinportieren. Een verkoper roept: ‘Koffiebierijsenlimonade. OkidootjePiccolootjeHaagschePost!’

Vroeger was heus niet alles beter. Maar wel bijna alles.

 
Geplaatst op: Donderdag 5 december 2019 om 08:39 uur
1746191
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld