Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

`Kut`

Al jaren biljart ik zowel in Den Haag als in Zeeland. Op beide lokaties gaat het om het maken van zoveel mogelijk caramboles. En zowel in Den Haag als in Zeeland ligt de gemiddelde leeftijd van mijn mede-biljarters ruim boven de zestig. Maar daarmee houden de overeenkomsten wel zo’n beetje op.
In Zeeland spelen we twee keer per week met z’n vijven in het Dorpshuis aan êên biljart. Afgezien van de consumpties kost dat aan contributie 20 eurocent per persoon per keer. In Den Haag verenigen we ons tien keer per jaar met z’n vijftienen in een chique societeit rond drie biljarts. A raison van 10 euro per persoon per keer.
Als ik zou moeten kiezen waar ik het het meest naar mijn zin heb zou ik, zelfs met de duimschroeven aan, het antwoord schuldig moeten blijven.

In Zeeland worden de consumpties aangedragen door de beheerders van het Dorpshuis, Marlies en Frank. Marlies ziet er leuk uit en als ze de bestelling komt opnemen, wordt haar komst niet zelden gebruikt als excuus voor falend spel. Zo van: ‘Ja, wat een wonder dat de bal achterom ging. Ik werd ineens vreselijk afgeleid.’ En wanneer Frank vraagt wat we willen drinken, kan het gebeuren dat  een der spelers met luide stem een gedichtje voordraagt:

“‘Wat zullen we drinken?’, sprak Mozes tot de schare.
‘Zal het bier zijn? Of toch maar ouwe klare?’
’t Kan mij niet schelen’, zei mijnheer Van der Stee.
‘Ik lust ze alle twee’”.

Laatst vond er in het Dorpshuis iets plaats dat diepe indruk op me maakte. De stootbal van een der Zeeuwse biljarters was, nadat hij de eerste bal had geraakt, vlak voor de tweede blijven liggen. De afstand tussen de ballen was nauwelijks zichtbaar. In zo’n geval roept men in Den Haag bijvoorbeeld: ‘Dat scheelde maar een Chinese buikhaar’. En in Zeeland zeggen ze dan vaak: ‘Nàt nie, hé’. Maar deze keer liet de verbouwereerde biljarter op luide toon een woord van drie letters vallen, dat verwees naar het vrouwelijk geslachtsdeel.

‘Wàt zeg je?’, vroeg ik. Niet zozeer omdat ik geschokt was. Want in de Haagse societeit klinkt dat woord, ook uit de mond van de biljartende directeuren en hoogwaardigheidsbekleders, regelmatig op als er iets net niet lukt. Maar hier in de biljartkamer van het Dorpshuis, tussen de op leeftijd zijnde fruitboomtelers, ex-loonwerkers en gepensioneerde gemeenteambtenaren was het tot op dat moment bepaald ongebruikelijk om zich op een dergelijke wijze te uiten.
Dus herhaalde ik met enige nadruk: ‘Wat zeg je?’
‘Ik zei kut’, herhaalde de gekrenkte Zeeuw.
‘Geweldig’, zei ik. ‘Dat lucht op. Ik dacht dat je dat hier in Zeeland niet mocht zeggen. Mag ik dat in het vervolg óók zeggen als ik me zit op te winden omdat het weer eens nàt nie is gelukt een carambole te maken?’
Niemand had bezwaar.
Sindsdien maak ik in het Dorpshuis in Zeeland, en alleen in zeer buitensporige omstandigheden, sporadisch gebruik van mijn verworven recht.
Geplaatst op: Vrijdag 2 januari 2015 om 08:29 uur
1793944
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld