Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Leven en sterven in Nederland

Gisteren kreeg mevrouw Pasgeld een schrijven van haar verzekeringsmaatschappij waarin haar werd gevraagd om ‘een bewijs van leven’.
‘Gaarne ontvangen wij van u een bewijs van in leven zijn’, stond er letterlijk.

Het ging om een uitkering van 50 euro per maand die ze ooit  ergens in haar werkzame leven had opgelopen.
Ze willen tegenwoordig namelijk eerst van je weten of je nog leeft als ze geld aan je moeten betalen.
Dat wordt straks nog wat bij het overmaken van salarissen, het ontvangen van bonussen, het incasseren van uitkeringen enzovoort. Iedere keer weer zo’n bewijs. Want laten we eerlijk zijn: iedere keer weer is de kans bepaald niet uitgesloten, dat je  inmiddels onder de tram bent gekomen.

Eigenlijk zouden wij, op onze beurt, alvorens belastinggeld of premies aan een firma of een (overheids)instelling te betalen, eerst een bewijs moeten vragen of die firma of instelling eigenlijk nog wel bestaat. Een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel bijvoorbeeld. Want het zou best eens kunnen zijn, dat die firma of instelling failliet is. En dat de een of andere onverlaat nog net al die premies of belastinggelden op zijn prive-rekening zet. Dat hoor je namelijk steeds meer tegenwoordig.

Nog nooit had iemand aan mevrouw Pasgeld gevraagd of ze eigenlijk nog wel leeft. Goed. Ik heb ’s ochtends als ze om half zeven op moet voor haar werk ook wel eens mijn twijfels. Maar dan zeg ik: ‘Wakker worden’ of ‘Lukt het een beetje?’ Maar je gaat dan toch niet vragen naar een schriftelijk bewijs van in leven zijn?

Gelukkig had je er vroeger zelf niks mee te maken of je dood was of niet. Toen regelden de instellingen en de Overheid dat onderling. Instellingen, die wilden weten of iemand dood was of niet, wendden zich tot de Overheid. Dat was de gemeentelijke Basisadministratie (afdeling GB). Later werd dat Basisregistratie Personen (afdeling BP). Tegen betaling kregen ze dan te horen of die persoon inmiddels het tijdelijke voor het eeuwige had ingeruild.
Maar sinds de wet op de privacy mag dat niet meer. Nu moet je dus zelf zeggen of je dood bent of niet. Als je dan zegt dat je dood bent, geloven ze je niet. Daar kan ik me nog wel iets bij voorstellen. Maar als je zegt dat je nog leeft, geloven ze je ook niet. Dan moet je je wenden tot de  Basisregistratie Personen (afdeling BP) met de vraag of je nog leeft. En dan maakt die afdeling (uiteraard weer tegen betaling) voor je uit of dat zo is. En dan krijg je een schriftelijk ‘bewijs van in leven zijn’.
Aldus richtte mevrouw Pasgeld een missieve tot de Basisregistratie Personen (afdeling BP) met het verzoek om zo’n bewijs. Reikhalzend keek ze uit naar het antwoord, Dat lag enige dagen later op de mat.  Met trillende vingers scheurde ze de enveloppe open. Ik moet eerlijk zeggen, dat ik ook wel benieuwd was. Maar toen brak er een lach door. ‘Hoera! Ik leef nog!’, riep ze uit. Onmiddellijk stelden we de verzekeringsmaatschappij op de hoogte van het heugelijke feit. En die antwoordde: ‘Als mevrouw Pasgeld een kopie van de pinbon van haar aanvraag bij de Basisregistratie Personen (afdeling BP) naar ons toe stuurt, vergoeden wij de kosten daarvan.’
Er stond gelukkig net niet bij, dat ze, om die vergoeding te ontvangen, eerst maar weer eens moest bewijzen, dat ze nog steeds leeft.

Want gelukkig hoef je in Nederland niet zèlf te betalen als een ànder wil weten of je nog leeft. Maar met de huidige ontwikkelingen in het grote gegrijp en gegraai zal dat niet lang meer duren.
Geplaatst op: Vrijdag 17 april 2015 om 08:25 uur
1794001
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld