Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Met mevrouw Pasgeld op de scooter

(Uit: Branding, magazine van het Haags Milieucentrum, oktober 2007)

Daar reden we dan. Langs polders en sloten. Over dijken en langs vaarten. Dwars door het prachtige Zuid-Hollandse landschap. Of wat daar dan nog van over is. Op de scooter. Zo’n klein pest-scootertje dat niet harder kan dan 25. Hij maakte nauwelijks geluid en het gebruik was, zo had de rijwielhandelaar ons bij de aanschaf verzekerd, één op veertig. Uit oogpunt van het milieu leek het ons wel verantwoord. Zeker als je het vergelijkt met die paar patsers die straks zo nodig veertig keer per dag met de helicopter vanuit Ypenburg naar Amsterdam en Brussel willen.

Mevrouw Pasgeld zat achterop. Ik reed. Een gevoel van vroeger overkwam ons. En dus legde mevrouw Pasgeld haar armen om me heen en vlijde haar hoofd tegen mijn rug. En ik? Ik waande mij weer op mijn Puch en voerde mijn meisje naar het geluk. Want even dacht ik weer, dat dat toch ergens te vinden moest zijn. De wind wapperde door onze haren en het was ook andersom: onze haren wapperden in de wind. De zon scheen. En hoe we ook zochten, nergens waren er zorgen. Totdat ik langs de Vlaardingervaart ter hoogte van de Trambrug te Schipluiden in de gaten kreeg, dat de mensen die we voorbij reden ons wat langer nakeken, dan strikt genomen noodzakelijk was. Of zelfs wenselijk.
Zelfreflectie leerde mij, dat het misschien toch een beetje een raar gezicht was. Want het was maar een klein scootertje. En wij waren nogal groot. En misschien, wie zal het zeggen, ook wel wat oud voor zo’n ding. Ik althans. Mevrouw Pasgeld niet. Ik ben zowat aan mijn pensioen toe. Mevrouw Pasgeld is ruim een decennium jonger maar ziet er uit als een jonge, godin. Zoals zíj achterop de scooter zat, met heur blonde haar in de wind en haar prangende borsten in mijn rug, dát kon zo in een reclame. Maar op de een of andere manier bekroop mij het gevoel, dat mijn aanwezigheid wat afbreuk deed aan de wervende boodschap van het geheel. En misschien was het daarom wel, dat de voorbijgangers ons zo lang nakeken?

Maar ach, wat kon het me schelen. Ik hief een lied te zingen aan. “ ‘k Moet dwa-halen, ‘k moet dwa-halen, langs bergen en langs da-halen’, klonk het aldus opgewekt langs de Zuidgaag ter hoogte van Maasland. En zo togen wij voort. Ons er nauwelijks van bewust, dat wij nu nog langer werden nagestaard dan voorheen.

Totdat mevrouw Pasgeld ter hoogte van de Maeslandkering langs de Nieuwe Waterweg op het idee kwam om zelf ook eens te rijden. Ik zou dan, volgens haar, gemakkelijk achterop kunnen. Als ik hiervoor schreef, dat onze tocht geheel zonder zorgen was, moet ik nu toch bekennen, dat dat niet geheel en al naar waarheid was. Eigenlijk had ik de hele tijd al gevreesd voor dit voorstel. Want waren wij, met mij als berijder en mevrouw Pasgeld als duo-passagier al een opmerkelijk stel, andersom zou dat te meer gelden. “Goed. Maar dan liever niet door de bebouwde kom”, bracht ik brommerig uit. Mevrouw Pasgeld meende dat ik mij niet aan moest stellen, beroerde fier de gashandel en verplaatste ons dan uiteindelijk ook dwars door geheel Hoek van Holland voor het verbaasde publiek. Ik stak ruim een hoofd boven mevrouw Pasgeld uit, kon mijn hoofd dus niet tegen haar rug vlijen maar legde mijn armen wel stevig rond haar taille. Niet uit liefde maar omdat ik bang was, dat ik er anders af zou vallen.

En zo ging het voort. Via ’s Gravenzande, Naaldwijk, Honselersdijk, Kwintsheul en Wateringen geraakten we weer thuis. Naar mijn weten waren we geen bekenden tegengekomen, wat een hele opluchting was.
Maar milieuvriendelijk was het wel.
Geplaatst op: Zaterdag 13 oktober 2007 om 17:54 uur
384199
bezoekers
© 2012 - Julius Pasgeld