Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Mevrouw Pasgeld zoekt haar bril

Laatst kon mevrouw Pasgeld haar bril nergens meer vinden. Het huis was te klein. Alles en iedereen werd min of meer moreel gedwongen deel te nemen aan de zoekactie. Uiteindelijk vond ze hem naast het nachtkastje. Naar aanleiding van het gebeurde merkte ik op dat mevrouw Pasgeld, als ze niet meer weet waar ze haar bril heeft gelaten, zo langzamerhand toch ook wel wat oud begint te worden. Dat was misschien niet zo verstandig. Maar wel waar. Vaak zijn onverstandige opmerkingen wel waar.

Ik ben 12 jaar ouder dan mevrouw Pasgeld. Ik ben mijn bril dan ook tenminste zeven keer per dag kwijt. Meestal merk ik na tien minuten zoeken, dat hij gewoon op mijn neus staat. Of dat ik hem op mijn voorhoofd heb geschoven. Of dat hij gewoon om een koordje aan mijn nek voor mijn borst bungelt. ‘Heb jij mijn bril ergens zien liggen?’, vraag ik aan mevrouw Pasgeld als dat allemaal niet het geval blijkt te zijn. In negen van de tien gevallen noemt ze dan onmiddellijk en feilloos de plaats waar mijn bril zich ophoudt. ‘Kijk eens in het zeepbakje’, roept ze dan. Of: ‘Achterin de bestek-la naast de knoflookpers.’ Hoe ze altijd maar weer weet waar mijn bril ligt, is me een raadsel. Twee keer per week komt het voor dat de zoekactie langer dan een half uur duurt. Dan blijkt mijn bril om onnavolgbare redenen in de magnetron te liggen. Of in het afvoerputje van het bad. Een enkele keer komt mijn bril ook wel eens tevoorschijn als we de vuilniszak in de achtertuin op het terras leegstorten. Het moet gezegd dat mevrouw Pasgeld bij dit soort acties altijd prominent aanwezig is. En onder haar leiding eindigen de opsporingsacties steevast in succes.

Wil ze met het opsporen van mijn bril nog wel eens helpen uit eens soort begaandheid met de gehandicapte mens in het algemeen, met schoenen is dat anders. Het zoeken van schoenen of aanwijzingen geven omtrent de vindplaats daarvan heeft ze opgegeven. Zowel Junior als ik zijn nog steeds in een soort stadium dat onze schoenen, eenmaal uitgedaan, als door een wonder oplossen. En zich dan, als door occulte krachten bewogen, naar totaal andere plaatsten begeven dan waar we dachten ze te hebben neergezet. Eerst begonnen we mevrouw Pasgeld daarvan de schuld te geven. Maar die is zo gewend overal de schuld van te krijgen dat dat geen enkel effect meer had.Toch zocht ze in die gelukkige tijden nog wel mee. Maar de wonderbaarlijke verdwijning der schoenen geschiedde zo veelvuldig dat het bijna Bijbels werd. Op zeker moment verdomde ze het om nog mee te zoeken. Dat was vooral betreurenswaardig omdat zij toch als enige in het huis bij uitstek geschikt was de vermoedelijke plek van onze schoenen te onthullen.

Sindsdien zoeken we onze schoenen zelf. Junior en ik helpen elkaar daarbij wel. Vanuit een zeker wederzijds begrip. ‘Je bent nou eenmaal op de wereld om elkaar te helpen in moeilijke tijden’, roepen we elkaar dan tamelijk luid toe, in de hoop dat mevrouw Pasgeld onze conversatie opvangt en dan gewoon even zegt waar onze schoenen staan. Want ze weet dat best. Alleen wil ze dat om de een of andere reden niet meer zeggen. Waarschijnlijk omdat ze vindt dat we uit een soort verantwoordelijkheid zelf dienen te weten waar we onze spullen gelaten hebben. Maar je kan toch niet alles weten? Deze wereld is toch al zo moeilijk te doorgronden.

En toen gebeurde het dus dat mevrouw Pasgeld haar bril laatst zelf niet meer kon vinden. Met buitengewoon veel genoegen hebben we haar helpen zoeken.
In het kwetsbare besef dat wij allen, dus ook mevrouw Pasgeld, slechts onaanzienlijke stervelingen zijn.
Geplaatst op: Zaterdag 19 augustus 2006 om 18:08 uur
383382
bezoekers
© 2012 - Julius Pasgeld