Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Mooie, oude woorden

‘Amechtig leunde de bakkenist barrevoets tegen de botsballon nadat zijn bijrijder klakkeloos een vehikel had geschept dat tersluiks voorbij had willen saffelen’.
Prachtig, prachtig! Alleen jammer dat bijna niemand meer begrijpt waar het over gaat.
Want mooie, oude woorden sterven uit voordat je het weet. En daarna weet je het dus echt niet meer.
Dat is de reden dat ik mooie, oude woorden spaar.
Iedere keer als ik er een tegenkom schrijf ik het op. Mijn alfabetische lijst telt inmiddels ruim 500 woorden.

Om er toch een beetje in te blijven maak ik er af en toe een zin van. Zoals in de aanhef van deze column. Die leg ik dan mijn ginnegappende kleinkinderen voor met de vraag of ze een idee hebben waarover het gaat. Maar dan kijken ze me besmuikt aan alsof hun gezapige grootvader ineens is getroffen door een overdraagbaar virus en maken dat ze wegkomen.
‘Doerakken!’, roep ik ze dan kittelorig na. ‘Zijn jullie belatafeld! Jullie lijken wel besuikerd, jong gebroed! Opa is heus geen beuzelaar of druiloor, zoals jullie hem misschien gekscherend zouden kunnen kenschetsen. Hij is ook niet kierewiet. En een oelewapper zou je hem toch eigenlijk ook niet willen noemen.

En vervolgens ga ik me in mijn eentje onthutst zitten opwinden over het feit dat tegenwoordig niemand meer weet wat een flessenlikker is. Of een horletoet, een Kaapse ezel, een kanteloep of een klabak. Noem maar op.
En wat waren er vroeger veel scheldwoorden. Je kon je er vaak uiterst genuanceerd mee uitdrukken.
Zomaar een paar in alfabetische volgorde:
Albedil, bimbo, deerne, blaag, crapuul, doerak, galgebrok, gebroed, haaibaai, helleveeg, hufter, izegrim, kenau, kniesoor, loeder, mafketel, malloot, mispunt, mokkel, mormel, neetoor, ogendienaar, snoodaard, spring in het veld, stoot, strooplikker, sufkont, tafelschuiver, trien, troela, vuilbaard.
Graag zou ik nog eens met een der bovenstaande woorden gekenschetst willen worden. Maar betwijfel of ze nog soelaas zullen bieden.

Van de weeromstuit schieten me nu stante pede de namen van de vrouwelijke onderkledij van weleer te binnen. Hoewel de nomenclatuur van destijds niet bepaald tot bronstigheid uitnodigde.
Zo had je vooral corrigerend ondergoed. De step-in diende men om te gorden. Het keurslijf was een soort corset: een strak hemd met een bustehouder met baleinen en rijgveters, bedoeld om de taille en/of de boezem te accentueren. Maar wat was nou toch ook al weer het verschil tussen een step-in en een corset? Om het nog ingewikkelder te maken bestonden er ook knopengordeltjes, ook wel jarretelles genoemd.

Nou, vooruit. Nog één zin met van die mooie, oude woorden. Daar gaat-ie:

Met een onstuimig muilpeer op zijn kinnebak beoogde de naarstige koddebeier de maltentige kribbebijter weer in het gareel te brengen.
‘Je bent ootmoedig rapalje. Je bent een raddraaier van lik-me-vestje. Een ruftend scharminkel’, beet hij de beuzelaar toe.
‘Krijg het rambam’, diende het slachtoffer de klabak van repliek en stuikte toornig weg om tegen een Tulpenboom aan te sassen. Dat lag echter nogal prudent bij de glimmerik die besloot de warse raddraaier er nògmaals van langs te geven.
Met een pak rammel van heb ik jou daar.
 
Geplaatst op: Donderdag 13 augustus 2020 om 08:09 uur
1845116
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld