Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Onderhuidse communicatie

 Het staat me nog bij als de dag van gisteren. Mijn moeder die, als ze slecht gehumeurd was, tijdens het afwassen op een bepaalde manier het servies van de afwasbak in het afdruiprek op de gootsteen deponeerde. Het was steeds nèt iets te hard of nèt iets minder zorgvuldig dan anders.
Ook tijdens gesprekken met haar ontleende ik alleen al aan haar intonatie vaak of ik iets goeds of iets verkeerds had gezegd.
Andersom was haar formulering soms zodanig, dat ik niet uit de woorden, maar uit de nadrukken die ze legde, gewoon wist dat ze ergens moeite mee had.

Onderhuidse communicatie. Met of zonder woorden. Of met verkeerde woorden. Niet precies zeggen wat je eigenlijk wil zeggen. Omdat je dat niet durft bijvoorbeeld. Of omdat je bang bent te veel je nek uit te steken.

Zo weet ik nog dat ik op mijn vijftiende vaak naar leuke meisjes floot als ze langskwamen. Altijd in gezelschap van één of meer vrienden. Want in je eentje ga je natuurlijk niet fluiten naar een mokkel. Dat durfde ik niet. En meisjes aanspreken om ze te complimenteren met hun leuke gezicht of hun gedurfde kleding waagde ik al helemaal niet. Dus dan maar een soort onderhuidse communicatie.

Fluiten en sissen naar meisjes valt in sommige gemeenten onder ‘straatintimidatie’. Ook een soort verholen kennisgeving dus. Het gerechtshof in Den Haag oordeelde onlangs, dat het naroepen, fluiten en sissen naar ‘mensen’ op straat onder de vrijheid van meningsuiting valt.

Ook in de trein zitten er allang geen dames en heren meer. Alleen nog maar ‘reizigers’. Zo klinkt het uit de speakers in de trein. Want ‘dames en heren’, zeg je tegenwoordig niet. Daarmee geef je te kennen dat je uit bent op het onderscheiden van de soort. Op seks dus. ‘Meisjes’ nafluiten mag ook al niet meer. ‘Jongelui’ nafluiten nog net wel, denk ik.
Zolang als het duurt. Want nog even en de hele gender-identiteit gaat op de schop. Na de coming-outday heb je dan alleen nog maar lhbt’ers, lhbtqi’ers, lhbtqia’ers, lhbt+érs, bigenders, biseksuelen, queers, lesbians, asexuals, gay’s en andere quiltbag-minderheden die samen, als het zo doorgaat, wellicht ooit de meerderheid nog eens zullen krijgen.

Ook het woord ‘blank’ kan eigenlijk niet meer. Mensen zijn wit. Of zwart. Als je het over een ‘blanke’ hebt ben je eigenlijk onderhuids aan het communiceren. Dan heb je het over een witte die meer kwaliteiten heeft dan een zwarte.
Dat Negers zwart zijn, Chinezen geel zijn en Indianen rood is eigenlijk heel gewoon. Maar blanken zijn dus wit.

We lijken wel in een wereld te leven waar ineens alles anders moet heten.
Jan Kuitenbrouwer schrijft in het tijdschrift ‘Onze Taal’ dat ondernemingen ‘start-ups’zijn geworden. Veranderingen zijn ‘transities’ of ‘kantelingen’. Werkgroepen en commissies zijn getransformeerd tot ‘taskforces’en ‘platforms’. ‘Gangmakers’, ‘wegbereiders’en ‘kwartiermakers’treden in de plaats van voorzitters en directeuren. Cursussen heten nu ‘workshops’, ‘clinics’ en ‘break-outsessies’. En gewoon telefoneren kan ook al niet meer. Je gaat nu een ‘call’ in.
Japke D. Bouma wees ons op het ministerie van Binnenlandse Zaken dat in 2019 een ‘duidelijke taalcampagne’ lanceerde maar desondanks een vacature plaatste voor een ‘Raakvlakmanager Strategische Beheerorganisatie Digitaal Stelsel Omgevingswet’.

Gewone woorden. Die iederéén begrijpt. Waarmee we misverstanden uit de weg gaan. Waaemee we samen van alles kunnen opbouwen. Dàt schijnt dus niet meer te kunnen.
Het lijkt wel of al die bovenbaasjes, al die zeemeeuw-managers (die als ze ergens klaar zijn met hun werk elders de boel weer vol gaan schijten) en al die genderaars, zich tegenwoordig verschuilen achter een oceaan van zelfverzonnen, onderhuidse communicatie.
Om te voorkomen, dat we zo langzamerhand door krijgen dat ze ons bedonderen waar we bij staan.
Geplaatst op: Donderdag 9 januari 2020 om 08:31 uur
1718246
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld