Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Ongesubsidieerde genoegens

Het is zondagochtend.
Ik lig in bad en ben verdiept in de eigentijdse avonturen van Walter, Patty Richard en Joey uit ‘Vrijheid’ van Jonathan Franzen als mijn oor wordt getroffen door doedelzakmuziek.
Doedelzakmuziek? Hier? Op zondagmorgen in ons dorpje in de Zak van Zuid-Beveland? Normaal wordt de zondagsrust op ons dorpsplein slechts verstoord door bedaarde religieuzen die zich in hun zondagse kostuum ter kerke begeven.
Maar nu hoor ik toch echt doedelzakmuziek.
En het wordt steeds harder.
Snel schiet ik mijn badjas aan en met nog natte haren open ik mijn voordeur om te zien wat er aan de hand is. Op de jaarlijkse rommelmarkt en een muziekpastorale na gebeurt er namelijk nooit iets noemenswaardigs in ons dorp. De belangrijkste gebeurtenissen vinden hier steeds op dinsdag en zaterdag plaats. Dan komt de SRV-man. En op vrijdag de visboer. Dus wat nu weer?
Daar zie ik het al.
Om de hoek verschijnt Koen Pille. En achter hem een kudde van ruim honderdvijftig schapen. En daarachter weer loopt Diederik de Doedelzakspeler op zijn doedelzak te toeteren, geheel gehuld in traditionele Schotse kledij.
Koen Pille is de niet geheel onomstreden schaapsherder uit de buurt. Diederik is zijn vriend die hij heeft leren kennen bij de doedelzakvereniging een dorpje verderop.
Met een vaardigheid, die zonder meer kunst mag worden genoemd, dirigeert Koen zijn kudde langs de vaate (dat is de vijver op ons plein waar vroeger het vee werd gedrenkt) en stelt zijn wollige horigen op voor de muziektent midden op het plein. Hij wordt daarbij geholpen door zijn honden, twee Australische kelpi’s. De ene dwingt, met een wijde boog rondom de kudde, de afvallige schapen in het gareel, de andere brengt met kortere rondjes de schapen al direct van hun eventuele voornemen tot afvalligheid af. Net zoals, zo stel ik me voor, de dominee en het kerkbestuur zich even verderop in het gereformeerde kerkje met de parochianen bezig houden.

Dan betreedt Diederik de muziekkapel en brengt op zijn doedelzak een aubade aan de kudde. Koen houdt met zijn honden een oogje in het zeil.
De laagstaande zon schijnt voor de gelegenheid uitbundig op de witgewolde ruggen en een tiental dorpspleinbewoners waarvan een deel nog in pyama of ochtendjas, neemt op eerbiedige afstand enige foto’s. Nadat de doedelzakse versie van O, my darling Clementine de laatste snerpende tonen over het ronduit idyllische tafereel op het plein heeft uitgestrooid, maakt de kudde nog een ereronde over het plein.

En dat zomaar op een stralende zondagmorgen! Een onverwacht Godsgeschenk is het. Gratis. Nergens van te voren aangekondigd. Niks geen door de gemeente georganiseerd vertier ten behoeve van, of gesponsord door de plaatselijke middenstand.

Nadat de schapen, de herder en de doedelzakspeler weer uit het zicht zijn verdwenen komt de aap via de praatjes bij de dorpspomp uit de mouw.
Het bleek de allerlaatste ronde van de schaapsherder. Hij had een daad willen stellen. Want hij was op nonactief gesteld. Een affaire met een herderinnetje speelde daarbij een rol. Ook was de voorzitter van de stichting die de schaapskudde beheert, tevens burgemeester en dus hoofd van de politie, bij de zaak betrokken.
Hoe het precies zat?
Breek me de bek niet open.
Je zou er een streekroman over kunnen schrijven.
Geplaatst op: Vrijdag 8 oktober 2010 om 09:33 uur
1821674
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld