|
Roepen in het tunneltje
Dwangmatige neigingen heeft iedereen wel eens. Vooral als je jong bent. Dan moet je bijvoorbeeld van jezelf de hele weg naar school lopen zonder met je voeten over de randen van de trottoirtegels te komen. Of je loopt drie keer om een lantaarnpaal heen. Want als je dat niet doet wordt je moeder, die wegens griep te bed ligt, nooit meer beter. Naarmate je ouder wordt verdwijnen deze neigingen vanzelf. Of je leert ze te onderdrukken. Soms blijft er nog wel eens een restje kleven. Dan móet je vlak voordat je je huisdeur achter je sluit van jezelf toch nog even kijken of het gas uit is. Terwijl je dat vijf minuten geleden ook al had gedaan.
Zelf werd ik, toen ik klein was, niet meer dan gemiddeld door dwangmatige neigingen geplaagd. Ze zijn allemaal vanzelf overgegaan. Op één uitzondering na. Dat betrof het roepen in een tunneltje. ‘Oóóóhóó! Oóóóhóó!’. Het móest. Of ik wilde of niet. En, het dient gezegd, het galmde vaak ook wel lekker. Nou is dat allemaal niet zo erg als je klein bent. Maar anders wordt het als je als 63-jarige nog steeds in tunneltjes moet roepen. Stel je voor: iemand fietst nietsvermoedend door een tunneltje. En ineens hoort-ie een tegemoetkomende, oude man keihard: ‘Oóóóhóó! Oóóóhóó!’ roepen. Een mooie kans dat ìk dat dan ben. Want ik kan het nog steeds niet laten. Ik schaam me kapot. Maar de drang is sterker. Ik probeer me aan te passen. Dan kijk ik, voordat ik een tunneltje infiets, eerst of er zich reeds iemand in bevindt. Dan wacht ik keurig tot die er uit is om vervolgens snel het tunneltje in te fietsen en alsnog heel hard mijn ‘Oóóóhóó! Oóóóhóó!’ te laten klinken. Maar dat lukt niet altijd. Want dan is er bijvoorbeeld iemand achter me het tunneltje ingefiets waar ik geen erg in had. En die hoorde me dan schreeuwen. Niet dat dat ooit tot problemen heeft geleid. Dat niet. Maar je hóórt ze denken als ze je even later in de open lucht passeren. Fluitend de vogelen des velds bestuderend doe ik dan net of er niets aan de hand is. Maar vaak kijken ze na het passeren dan toch even over hun schouder naar mij om. En uit hun blik kan ik dan maar niet opmaken of ze blij zijn dat ze nog net ontsnapt zijn aan een pathologische serie-moordenaar of dat ze een beetje jaloers op me zijn dat ik op hoge leeftijd nog steeds durf te roepen in tunneltjes. En zij niet. Als ik met mevrouw Pasgeld door tunneltjes fiets roep ik ook altijd keihard ‘Oóóóhóó! Oóóóhóó!’. Maar mevrouw Pasgeld geneert zich, na ruim dertig jaar met mij te zijn opgescheept, nergens meer voor. Die is in de loop der tijd volstrekt immuun geworden voor mijn abberaties. In het begin vroeg ze me nog wel eens om even voor het tunneltje te stoppen totdat ze er zelfs doorheen was voor ik begon te schreeuwen. Maar tegenwoordig interesseert het haar niks meer. Zelfs als de koningin toevallig eens door zo’n tunneltje zou fietsen terwijl ik daar naast mevrouw Pasgeld de galm aan het uitproberen was, zou ze geen krimp geven. We hebben in al die tijd inmiddels samen al door honderden tunneltjes gefietst. (Niet de koningin en ik natuurlijk, maar mevrouw Pasgeld en ik) En altijd was het: ‘Oóóóhóó! Oóóóhóó!’. Maar ik kan u verzekeren, dat mevrouw Pasgeld nog nooit, ik herhaal, nog nooit heeft meegeroepen. Ik heb wel eens bij haar geïnformeerd of ze zelf de neiging niet kende. Of dat ze die steeds kon onderdrukken. Maar ze wist niet eens waar ik het over had. En dat waardeer ik nou zo in haar. De moed om dan toch samen met mij door die tunneltjes te fietsen. Dat is geen tolerantie meer. Dat is geen begrip voor afwijkend gedrag meer. Dat moet wel pure liefde zijn.
Geplaatst op: Zaterdag 6 januari 2007 om 12:39 uur
|
383382
bezoekers |