Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Scharrelings beneven

 De wekelijkse biljartbijeenkomsten in het dorpshuis zijn nog steeds een waar genoegen. Met z’n zessen komen we regelmatig aan de beurt omdat langere series dan twee of drie caramboles vrijwel nooit voorkomen. Afgezien van Lou zit iedereen onder een moyenne van één.
Dat we nooit veel caramboles maken ligt niet aan ons. Maar meestal aan onze lieve Heer. Die verzuimd had ons te vonnissen voordat we aanlegden. Of aan onze voorganger, die de ballen na zijn stoot achterliet in zó’n onmogelijke positie dat het vrijwel ondoenlijk was daar nog een carambole van te maken. Of aan iemand anders. Of gewoon, omdat het ‘eigenlijk veel te warm of te koud is om te biljarten’.
Maar dus nooit aan onszelf.

Aan commentaar is er, tijdens het biljarten, nooit gebrek. Zelfs niet tijdens de periode van concentratie vóór de stoot. De voertaal tijdens het biljarten is Zeeuws. Onvervalst Zeeuws. Waar ik vroeger in Den Haag altijd riep dat het ‘een Chinese buikhaar scheelde’ als mijn stootbal op een millimeter na de andere bal raakte, mompel ik nu rustig en deskundig dat het ‘scharrelings beneven’ was.
En als ik er voor de zóveelste keer naast hebt gezeten roept Ger opbeurend:
‘Je kan van je keu beter een hengel maken’.
Of ik roep: ‘Je moet bij het stoten schreeuwen, zoals bij tennis’.
En, zelfs vóórdat je gestoten hebt roept er wel eens iemand: ‘Dat wordt toch niks’.

Soms, als de sfeer bijzonder goed is, komen er bij iemand nog wel eens onreine verdichtsels uit de jaren vijftig van de vorige eeuw naar boven. Zoals:

‘Er was eens een neger in Kaboel,
Die neukte z’n vrouw op een klapstoel.
De klapstoel die brak,
En klemde z’n zak.
Wat trok toen die neger een rotsmoel’.

Omwille van de huidige tijdsgeest laat ik hier de naam van betreffende voordrachtskunstenaar maar even achterwege. Maar we zijn allemaal ruim boven de 65. En we vinden het dus nog steeds leuk.

Verder maar weer. De bemerkingen na een mislukte stoot (‘waar je eerst nog wel moed op had’) zijn buitengewoon gevarieerd.
Na een zogenaamde ‘afkets’-stoot:
‘En ik kriet toch zo dikkels!’ (‘Ik bestrijk mijn pomerans toch echt vaak genoeg met het krijtje!’)
En na ‘bekant snieën van rood’:
‘Los van rood, rond van geel’.
En ook na een stoot waarbij geen enkele bal wordt geraakt is er keuze tussen: ‘Stille omgang’, of: ‘Je rijdt zeker ook al heel lang schadevrij?’.

Maar zelfs bij een geslaagde stoot is het het commentaar vaak ook niet van de lucht. Hannes trakteert dan bijvoorbeeld op een rondje met de woorden:

‘Wat nu’, sprak Mozes tot de schare.
‘Wat zal het zijn? Bier of ouwe klare?’.
‘Dat maakt mij niet uit’, zei meneer Van der Schee.
‘Ik lust ze alletwee’.

En als Lou bijvoorbeeld weer eens bezig is met een serie van acht of zelfs tien caramboles achter elkaar mopperen de anderen:
‘Ik ga ondertussen maar vast wat boodschappen doen’. Of: ‘Het kan koud worden vannacht’.

Kortom: het biljarten in het Dorpshuis is iedere keer weer een feest. Een feest waarbij ‘de stoot van de dag’ na zorgvuldig beraad toch altijd weer een andere naam krijgt. Meestal van een dame uit het dorp.
Geplaatst op: Donderdag 24 september 2020 om 08:22 uur
1845115
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld