Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Stop een opa in je tank

(Uitgesproken tijdens het milieucafe in het Atrium van het Haagse stadhuis op 15 april 2008)

‘Niet met je eten spelen’, zei mijn moeder vroeger als ik probeerde hoe ver een sperzieboon in mijn neus ging. En ze was de enige moeder niet die ooit probeerde om kinderen respect voor het dagelijkse voedsel bij te brengen. Maar ja. Dat was nog in een tijd, dat de eerste boterham die je at, zonder beleg moest. Een boterham met tevredenheid heette dat. Pas als je die op had, mocht je je volgende boterhammen naar believen met een dun laagje jam besmeren of met een plakje kaas, dat zo dun was dat het van je boterham wegvloog als je de ramen tegen elkaar openzette.

Respect voor het gewone eten. Al was het maar voor die drie bintjes en die bal gehakt op je bordje. Respect voor voedsel in het algemeen. Al was het maar voor het wuivende graan op het land of de bieten in de klei. Maar als het tegenwoordig geen choc chip coockie dough heet, of super fudge chunk of caramel chew chew is het smerig of niet te vreten.

Eten? Dat stoppen we tegenwoordig in de tank van onze auto. Want wat er ook gebeurt in de wereld, we zùllen in onze auto’s blijven rijden. Straks is het voedsel op. Of zo duur geworden, dat we iedere keer als we een hap willen nemen voor de keuze komen te staan: in de mond of in de tank. Reken maar, dat we het in de tank stouwen. Zo mager als een lat en met buikjes gezwollen van het honger-oudeem zitten we dan toch maar mooi achter het stuur in de file. Of we vinden er weer wat anders op. Misschien kunnen we een speciaal type dieren fokken die we tot ethanolmoes vermalen. Olie-poezen. Kerosine-ijsberen. Diesel-tijgers. Zo stoppen we tenminste letterlijk een tijger in onze tank. En in geval van nood, het klinkt een beetje cru, dat geef ik toe maar in geval van nood kunnen we altijd nog stoffelijke overschotten van mensen gebruiken. Daar doen we nou toch niks mee. Die worden toch maar verbrand en als ze niet verbrand worden liggen ze jarenlang nutteloos in de grond. Zonde toch? Want als je ze flink uitperst komen er vast nog wel een paar druppeltjes brandstof uit. De ene dooie leent zich daar natuurlijk wat meer voor dan de andere. En dan krijg je natuurlijk een nieuw Olympisch onderdeel: Wie komt het verste met z’n eigen opa in de tank.
Ik bedoel maar: na de teloorgang van het respect voor het eten volgt het gebrek aan eerbied voor de menselijkheid.
Maar rijen zullen we!

En als we het op deze macabere wijze dan toch over hergebruik hebben, wil ik daar ook nog wel even wat over kwijt.
In 1950 hadden we een verzinkte vuilnisbak. Die was niet veel groter dan een flinke emmer. In ons gezin, bestaande uit vier personen, raakte die emmer in een week half vol met afval. Soms driekwart. En een heel enkele keer helemaal vol. En dan werd het opgehaald. Zo simpel was dat.
Toen kwam in 1979 de ladder van Lansink. Genoemd naar een kamerlid die die ladder had uitgevonden. Bovenaan die ladder stond preventie. Afval voorkomen dus. Daaronder kwam: product-hergebruik. Daaronder: materiaal hergebruik. Dan: verbranden met energieterugwinning. Dan: verbranden zonder energieterugwinning.
Nu is het 2008. Mijn gezinnetje van drie personen levert nu twee keer per week tenminste vijf keer zoveel restafval als indertijd dat gezinnetje van vier personen een maal per week deed deed in 1950. Daarnaast storten wij wekelijks 22 flessen, netjes gesorteerd naar de kleuren bruin, groen en wit in de glascontainer. Oke. Ik geef toe. Ook een paar lege flessen waar verrukkelijke genever in zat. Ons groente-fruit- en tuinafval is wat moeilijker te achterhalen. Temeer daar mevrouw Pasgeld de aardappelschillen altijd bij het restafval doet. Maar per maand vullen wij toch een flinke GFT-container tot het randje. En tenslotte wordt er bij ons eens per veertien dagen 25 kilo oud papier aan de stoeprand gezet. En geef nou maar toe: als je die cijfers vergelijkt met die van een halve eeuw geleden dan raak je toch vanzelf aan de drank?

Vanmiddag hebben wij het behalve over bio-energie ook over het nog verder scheiden van ons afval. Nou. Als het allemaal zo doorgaat doe ik u graag nóg een voorspelling.
U herinnert zich allemaal uit uw schooltijd nog wel het periodiek systeem der elementen. Welnu. Stelt u zich eens een straat voor met allemaal containers op de stoeprand zover het oog reikt. Iedere container is voorzien van een groot embleem met een afkorting uit het periodiek systeem der elementen. Fe voor ijzer. K voor kalium. S voor zwavel. Cu voor koper. U weet wel. Nou. Op een van die containers staat een C. Aha. Koolstof, denkt u. Daar kan ik mooi mijn kapotte Nordic Walkingstokken kwijt. Op een andere container staat Ni. Nikkel, weet u meteen. Daar gooi ik mijn kapotte heupprothese in. Het zand wat onder je schoenen zit na een strandwandeling moet in de container met Si erop. Silicium. Dat is nu misschien nog een beetje moeilijk. Maar met de folders die de gemeente tegen die tijd bij u in de bus doet komt u een heel eind. Waar moet het met die folders naar toe, als u die uit u hoofd kent? Tja. Dat is een beetje lastig. De inkt moet in de container waar Fe, S of Na op staat. Afhankelijk van de samenstelling. Maar de folder productinformatie, die de gemeente tegen die tijd huis aan huis zal verspreiden zal hier ongetwijfeld uitsluitsel over geven. En het papier van die folders? Dat kan zonder bezwaar in de container met de C van Koolstof.

Tenzij het houtvrij papier is.
In dat geval zal u het zelf moeten opeten. Want uw voedsel heeft u zojuist in uw tank gestopt.
Geplaatst op: Donderdag 17 april 2008 om 08:06 uur
383381
bezoekers
© 2012 - Julius Pasgeld