Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Van de Brienenoordbrug af gezien

Was het een nare droom? Vlak voor onze ogen vloog een auto op de Brienenoordbrug tegen een vangrail. Zodat mevrouw Pasgeld en ik de eersten waren in een file die, naar later bleek, zou aangroeien tot drie rijen van zo’n 9000 auto’s. We waren ooggetuigen van het bewonderenswaardige werk van reddingsdiensten. Even verderop landde een traumahelicopter. De mensen van Rijkswaterstaat deden hun uiterste best de verkeersstromen op negen van de twaalf rijstroken zonder verdere ongelukken in goede banen te leiden. Anderhalf uur keken we met stijgend ontzag naar brandweerlieden en ambulancebroeders die een bewusteloos slachtoffer uit haar auto zaagden en naar hulpdiensten die het autowrak deskundig afvoerden. Het was een tafereel boordevol zorg, efficiency en vakmanschap. Na anderhalf uur lag de Brienenoordbrug er weer bij alsof er niets gebeurd was en begonnen wij, evenals de andere automobilisten die zicht hadden gehad op de oorzaak van het oponthoud, aanstalten te maken om weer verder te rijden.

Maar nee.
Een dikke, kale wout verscheen op het toneel. Traag drentelde hij heen en weer en begon wat onnozel te smiespelen met het nog resterende personeel van Rijkswaterstaat. Na tien minuten haalde hij een soort stoepkrijt tevoorschijn en zette wat streepjes op het wegdek. Hij deed dat zichtbaar niet fluks en heel duidelijk ook niet met in zijn achterhoofd het idee dat er 9000 automobilisten op het welslagen van zijn onderneming stonden te wachten.
Na 15 minuten begon hij de streepjes te voorzien van cijfers.
En na weer 15 minuten kregen de cijfers ook nog eens een letter.
Toen volgde er weer overleg dat ook al niet kon worden getypeerd door enige spoed.
Maar kijk. Daar gebeurde weer wat: de wout haalde een klein camera’tje met een eenpotig statief tevoorschijn en zette dat met de grootst mogelijke zorg op het krijtstreepje dat het dichtst bij ons op het wegdek was gezet, met de kennelijke bedoeling een dergelijke handeling op alle andere krijtstreepjes te herhalen.
Aangezien ik mij, als voorste in de file, toch wat meer bekleed voelde met de zorg voor een spoedige doorstroming op de brug draaide ik, mede namens al het stilstaande verkeer achter mij, mijn raampje open en riep op luide toon:
‘Hé, stoepkrijter! Had dat ook wat eerder gekund? En kan het misschien ietsje sneller!’
De agent staakte zijn werkzaamheden, kwam met een tempo waar een slak nog wat van zou kunnen leren naar me toe en zei op een manier als ware hij Onze Lieve Heer zelve:
‘Kom, kom, me-neer. Het moet wèl al-le -maal goed op pa-pier ko-men hoor’.
Was het inderdaad een nare droom? Was ik terecht gekomen in een soort twilight zone waar de ultieme bureaucratie ieder gevoel voor rede en verhouding aan het terroriseren was?
Ik ontstak in grote woede.
‘Huppetee! Aan de slag! En als de donder! Lulhannes! Zie je dan niet, dat er 9000 man op je staan te wachten?’

En omdat ik me ineens met schrik realiseerde, dat die 9000 mensen achter me nu even allemaal op mìj aan het wachten waren, gebaarde ik wild met mijn handen ten teken dat hij zijn werk met de grootst mogelijke spoed diende te hervatten.
Het begon tot me door te dringen dat het toch geen nare droom was.

En ineens wist ik ook waarom het in files tegenwoordig twee keer langer duurt dan strikt noodzakelijk is.
Geplaatst op: Zaterdag 1 november 2008 om 09:54 uur
383380
bezoekers
© 2012 - Julius Pasgeld