|
Van Staatswege Aangewezen
Het gebeurde toen ik voor mijn deeltijdhuisje in Zeeland zat te genieten van de lucht van de uienenoogst en de voorbijglijdende wolkenpartijen. Een beambte van de regering stopte in zijn dienstautootje voor mijn stulpje, stapte uit en keek zoekend om zich heen. Ik zag direct, dat het een regeringsambtenaar was. Zijn gezicht vertoonde trekken die erop wezen, dat hij in geen jaren een echt, eerlijk beroep had uitgeoefend terwijl het criminele trekken ontbeerde. Het moest dus wel een overheidsdienaar zijn.
‘Bent u meneer Pasgeld?’, vroeg hij, terwijl hij een notitieboek, een register en een metalen geldkist tevoorschijn haalde. ‘Jawel’, zei ik en een onbestemd voorgevoel maakte zich van mij meester. ‘Dit’, zei hij, ‘is mijn persoonsbewijs’. En hij liet mij een kaart zien met zijn foto en zijn naam erop. ‘Waarom moet u rondlopen met een foto van uzelf?’, vroeg ik. De mensen zien toch vanzelf wel hoe u eruit ziet als u voor ze staat?’ ‘Op mijn persoonsbewijs staat dat ik onder de Hoofdinspectie van de Afdeling voor OverheidsVergunningen ressorteer.’ ‘Ik denk, dat u daar ook niet zo’n papier voor nodig hebt. De mensen zien ook zo wel dat u op hun geld uit bent.’ ‘Nu even geen misselijke grappen, meneer Pasgeld. Ik kom u melden, dat het dorpje waar u woont vorige week is opgenomen in een Van Staatswege Aangewezen Toeristisch Gebied.’ ‘Hoe zeg je dat in gewoon Nederlands?’ ‘Er komen tolhekken langs de toegangswegen naar uw dorpje om de mensen te laten betalen die op het dorpsplein willen wandelen.’ ‘Maar dit dorpje is gewoon al vanaf het begin der tijden gratis toegankelijk!’ ‘Het dorpje is nu Staatseigendom. Het moet dus in eigen onderhoud kunnen voorzien. We rekenen de mensen vijftien euro om het te bezoeken. Bovendien moeten handelaren op Staatsdomeinen een bedrijfsvergunning hebben. U bent zo’n handelaar. U legt ’s zomers een paar ouwe boeken ter verkoop op een tafel voor uw huisje. Dat hebben wij heus wel in de gaten. Net zoals iedereen, dient u daar omzetbelasting over te voldoen.’ ‘Nou. Geef me dan maar zo’n vergunning.’ ‘Met genoegen. Dat wordt dan driehonderdvijftig euro, alstublieft.’ ‘Wat? Dat verdien ik met mijn boeken in drie jaar nog niet eens!’ ‘Oude man, ik maak de regels niet. Deze order komt rechtstreeks uit Den Haag. Toerisme en handel zijn belangrijke aanzetten tot herstel van de economie. Ik weet dat u niet eens probeert om iets van de economie te begrijpen, omdat u daar te dom voor bent. Maar begrijp wel dit: de overheid gelast u te betalen en hou verder uw onnozele mond. Ieder ander heeft betaald. Zelfs de kinderen, die hier in Zeeland met een stalletje zelfgeplukte pruimen en bramen voor hun huisjes staan, hebben betaald. Wie bent u, miesmuizerige dorpsbewoner, om te denken dat u het beter weet? Driehonderdvijftig euro of ik kom morgenochtend terug met agenten om u wegens wanbetaling in voorlopige hechtenis te nemen. Ik wacht.’ ‘Ik heb het niet!’, schreeuwde ik en begon uit pure wanhoop wat onnozele boksbewegingen te maken. ‘Ik heb het echt niet!’ Badend in het zweet werd ik wakker. Mevrouw Pasgeld naast me had een blauw oog. Zo is het nou altijd: de goeien moeten onder de kwaaien lijden.
Geplaatst op: Vrijdag 21 augustus 2009 om 10:24 uur
|
383377
bezoekers |