|
Volkstuintjes in Den Haag
(Uitgesproken tijdens het milieucafe van het Haags Milieucentrum in het Atrium van het Haagse Stadhuis op 20 februari 2007)
Een paar maanden geleden werd mijn zoon zestien. Aangevuld met een bijdrage van mevrouw Pasgeld en mij schafte hij zich van zijn gespaarde centen een nieuwe brommer aan. Een Thomos. In mijn tijd zou je nog niet dood gevonden willen worden op een Thomos. Toen was alles wat Puch wat de klok sloeg. Tegenwoordig is het precies andersom. Stakkerdjes rijden op een Puch terwijl de bloem der natie zich thans per Thomos verplaatst. Het kan verkeren. Maar daar gaat het nou niet om. Waar het wel om gaat is het volgende: Op zeker moment stond die spiksplinternieuwe brommer voor de deur. Junior en ik waren er stil van. Strijdend om voorrang glommen status en techniek ons tegemoet. En nu komt het. Ik zei: ‘En nou maar goed onderhouden, dan doe je er lekker lang mee’. Junior keek me een tijdje onderzoekend aan. U weet wel, zoals je kijk naar iemand waarvan je niet zeker weet of hij wel goed bij zijn hoofd is, en hij zei tenslotte: ‘Onderhouden?’ ‘Ja’, zei ik. ‘Onderhouden. Je weet wel. Af en toe eens met een doek over het frame, de velgen, de tank en de uitlaat. Een druppeltje olie op de bewegende delen en in de kabeltjes. Misschien de bandenspanning eens controleren?’ Weer keek hij me aan. Maar nu met een blik van iemand die zeker weet dat de ander volslagen getikt is. ‘Onderhouden?’, zei hij nogmaals en proefde het woord langzaam in zijn mond zoals je doet met moeilijke woorden die je voor het eerst hoort en waarvan je denkt dat je ermee bij de neus wordt genomen. Onderhouden? Nee. Hij schudde zijn hoofd. Wat het ook inhield, het leek iets ouderwets. Iets uit langvervlogen dagen. Iets dat te maken had met boterhammen met tevredenheid en maar één keer per jaar op vakantie in eigen land en met al die andere wonderbaarlijke zaken uit vroeger tijden waar vader wel eens van kon vertellen als hij op zijn praatstoel zat. ‘Nee’, zei hij. ‘Onderhouden, dat hoeft niet. Over twee jaar koop ik toch een auto. En wie zou er dan nog een ouwe, afgereden Thomos van twee jaar oud willen hebben.’ Ik wilde daar met barse stem van alles tegenin brengen. Maar getroffen door de pijlen van gods genade zag ik bijtijds in dat het daarvoor nu te laat was. Dat mijn opvoeding de afgelopen zestien jaar op een aantal belangrijke punten ernstig tekort had geschoten. Schrale troost was misschien, dat als mijn opvoeding wél geslaagd was geweest, Junior nu in het leven had gestaan als een volslagen wereldvreemde. Als de dorpsidioot die zijn vader nu al is. En als het dan gaat om die volkstuintjes aan de Erasmusweg die plaats moeten maken voor torenflats voel ik me eerlijk gezegd eens te meer de dorpsidioot. De halve gare die zich als enige nog vaag kan herinneren waar het in het leven nou eigenlijk om draait, maar door iedereen wordt uitgelachen als-ie daar iets over zegt. Want als ik iets leuks over volkstuintjes zeg zal men mij in mijn gezicht uitlachen. Ja. Hier misschien niet. Hier zitten ook allemaal dorpsgekken. Maar als ik elders het belang van volkstuintjes te berde breng? Ha, ha. Volkstuintjes is iets voor gebrekkigen van geest. Dingen de grond in stoppen en dan een beetje stom gaan zitten kijken hoe het er vanzelf weer uit komt. En er dan stokjes omheen zetten zodat het niet omvalt. En er dan tenslotte allerlei zaken vanaf plukken die je gewoon in de supermarkt kan kopen! Nee. Volkstuintjes. Dat is op z’n hoogst een buitengewoon inefficiente therapie voor zonderlingen. Laat die mensen toch gewoon naar de psychiater gaan! Ik heb een wethouder wel eens gewezen op de schitterende staat van onderhoud van al die volstuintjes en al die kleine huisjes op die volkstuintjes. Die wethouder keek me een tijdje onderzoekend aan. U weet wel, zoals je kijk naar iemand waarvan je niet zeker weet of hij wel goed bij zijn hoofd is, en hij zei tenslotte: ‘Onderhoud?’. ‘Ja’, zei ik. ‘Onderhoud. U weet wel. Af en toe eens met een kwast beits over de wanden van zo’n huisje. Nieuw asfaltpapier op het dak. Eens wat mest met en riek door de grond woelen. De tuinstoelen binnenhalen als het regent. ‘Onderhoud?’, zei de wethouder nogmaals en hij dacht echt, dat hij bij de neus werd genomen. Langzaam schudde hij zijn hoofd. Nee. Onderhoud, dat leek iets ouderwets. Iets uit langvervlogen dagen. En in zijn ogen zag ik, dat platwalsen en opnieuw uit de grond stampen, maar dan groter, véél groter, hem wat meer op het lijf geschreven was. En inplaats van volkstuintjes met kleine huisjes die namen droegen als ‘Bloemenzee’, ‘Boschwijck’, ‘Waterland’, en ‘Lommerrijk’ zag ik in de ogen van de wethouder hele wijken. En iedere wijk had een naam. De ene wijk heette ‘Bloemenzee’. Een andere ‘Waterland’. Even verderop lag ‘Boschwijk’ voor de wat beter gesitueerden. En in Lommerrijk had sociale woningbouw in de vorm van torenflats de overhand. U begrijpt, in al die wijken was er helemaal niets meer over van de echte bloemen, het echte bos, de echte slootjes en het echte lommer dat daar ooit was geweest. En weer keek de wethouder me onderzoekend aan. En toen hij goed keek, zag hij tranen opwellen in mijn ogen. Tranen van pure machteloosheid. Want ja. Het was nou eenmaal zo, dat ik de wereldvreemde dorpsidioot was. En hij de jonge, ambitieuze wethouder. Die het allemaal wel eens even zou fiksen.
Geplaatst op: Woensdag 21 februari 2007 om 19:46 uur
|
253945
bezoekers |