Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Voor straf op face-book

De temperaturen zijn dusdanig dat ik me weer op mijn scootertje kan verplaatsten. Heerlijk!
Met de wind in de haren over dijken en wegen,
kom je eindelijk jezelf weer tegen.
Op zeker moment moest ik tanken. Daarvoor bezoek ik doorgaans een mini-tankstationnetje met een benzinepomp waar je zowel aan de ene als aan de andere kant terecht kan. Er kunnen dus steeds twee klanten tegelijk tanken.
Fluitend en blij van zin schaarde ik me achter een van de twee auto’s die op dat moment door hun eigenaar van benzine werden voorzien.
De auto waar ik achter stond was het eerste klaar. Dus zodra die wegreed schoof ik op tot naast de pomp om mijn pinpas in de gleuf te doen, mijn tankdop los te schroeven en het tankpistool in de vulopening te plaatsten.
Maar nee hoor.

Met heikel misbaar verscheen er ineens vanuit het niets een auto die het voorspatbord van mijn scootertje tot op een haar na raakte alvorens te stoppen. Er werd een raampje opengedraaid waaruit een schelle damesstem opklonk.
‘Ìk was eerst!’.
‘Nee hoor’, antwoordde ik.’ Ik stond hier vlak achter de auto die zojuist wegreed. Dus nu ben ik aan de beurt’.
‘Ja, maar ik was wèl eerst. Ik sta daar aan de zijkant al tien minuten te wachten op mijn beurt. Dat is hier gebruikelijk. Je stelt je netjes aan de zijkant op en sluit vervolgens aan bij de eerste van de twee auto’s die klaar is met tanken’.
‘Nou’, zeg ik. ‘Dat is ook wat moois. Een nieuwe spelregel. Dat had hier dan wel ergens duidelijk met grote letters op een groot bord mogen staan’.
Vervolgens dacht ik even na. Ik had de tijd. Het was mooi weer. En ach. Waarom zou ik deze dame, die kennelijk haast had en twee kleine kinderen achterin de auto had, dan niet even voorlaten?
Net wilde ik mijn aanbod aan haar voorleggen toen ze uit haar open raampje schreeuwde: ‘Nou vooruit! Sodemieter op. Uit de weg. Ik was eerst!’
Als bij toverslag verdween mijn toegeeflijkheid.
‘O, als het zo moet weet ik het goed gemaakt’, zei ik. En stopte mijn pinpas in de gleuf, toetste een en ander in, pakte het tankpistool en begon mijn tank te vullen. Achteraf, ik geef het eerlijk toe, had het allemaal best wat sneller had gekund.

Het getier en gevloek uit het open raampje van de auto bleef aanhouden. Er kwam van alles aan de orde. Het gebrek aan beschaving in het algemeen en dat van mij in het bijzonder. En mijn uiterlijk. Dat werd –gecombineerd met mijn leeftijd- samengevat met een kort en krachtig: ‘Ouwe lul!’. Al roepend zag ze ondertussen kans de afstand tussen haar auto en mijn scooter te verkleinen van 5 centimer tot 3 millimeter.
‘Zo, ik ben klaar’, zei ik, terwijl ik mijn tankdop er weer op schroefde. ‘De eer is thans aan u’.
‘Weet u wat ik intussen heb gedaan?’, riep ze, nog steeds stikkend van woede.
‘Geen idee’, antwoordde ik naar eer en geweten.
‘Ik heb een foto van u gemaakt terwijl u stond te tanken. Die zet ik straks op face-book. En dan schrijf ik erbij wat voor klootzak u bent’.
‘Goed idee’, zei ik. ‘Zo hoort dat tegenwoordig. En dan schrijf ik er een ouderwetse column over. Want deze week wist ik toevallig nog niet waar ik over moest schrijven. Bedankt dus’.

Fluitend en blij van zin startte ik mijn scootertje en reed met de wind in de haren weer verder.
 
Geplaatst op: Donderdag 26 april 2018 om 08:16 uur
1393875
bezoekers
© 2018 - Julius Pasgeld