Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Waarom verkeerslichten in Den Haag altijd op rood staan

Waar je ook rijdt in Den Haag, altijd staat het verkeerslicht op rood. Of het springt net op rood als je aan komt rijden. Eens in de tien jaar tref je het. Dan kan je gewoon doorrijden zonder te stoppen. Want dan staat het licht op groen.

Hoe komt dat?
Om dat te begrijpen vraag ik u het volgende beeld voor ogen te nemen: Een weg (noord-zuid) kruist een andere weg (oost-west). Er staan verkeerslichten op het kruispunt. In principe heb je dan vijftig procent kans, dat het licht op groen staat als je eraan komt. Vijftig procent van de tijd staat het licht immers op groen voor de richting noord-zuid en zuid-noord. En vijftig procent voor de richting oost-west en west-oost.

Maar dat is natuurlijk niet zo. In de eerste plaats staat het licht, vóórdat het op rood springt, even op oranje. Dat maakt de kans, dat het op groen staat, als je eraan komt kleiner. Laten we zeggen, dat de verkeerslichten in één cyclus tien procent van de tijd op oranje staan. Dat vermindert de kans dat het licht op groen staat als je eraan komt tot 45 procent.

Nou klopt er natuurlijk nog niks van. Want ook voor het links- en rechtsafslaand verkeer in vier richtingen zijn er verkeerslichten. Precies weet ik het niet. Maar ik zal er niet ver naast zitten als al dat links- en rechtsafslaand verkeer de tijd dat het licht voor jou op groen staat, ook nog eens met ruim de helft vermindert. We zitten dus nu al op een kans van 20 procent dat het licht op groen staat als je eraan komt.

Maar waarom staan de verkeerslichten dan toch àltijd op rood als je eraan komt?

Dat komt omdat verkeerslichtinstallaties tegenwoordig zelf na kunnen denken. Ingenieurs hebben de verkeerslichten reeds bij hun geboorte een soort natte vinger meegegeven die ze in het wegdek hebben gemonteerd. Met die natte vinger kunnen de verkeerslichten zien of er auto’s op ze staan te wachten. Dat is handig, zo dachten die ingenieurs. Want als er toch geen auto’s staan te wachten heeft het geen enkele zin om het licht op groen te zetten. Waardoor de verkeerslichten voor het verkeer uit andere richtingen wellicht wat langer op groen zou kunnen staan. Hetgeen de doorstroming zou moeten bevorderen.

Maar dat doet het niet.
Want wat is het geval? Vijfhonderd meter vóór het kruispunt waar wij het over hebben, is namelijk nòg een kruispunt met verkeerslichten. Daar staan de auto’s die straks op ons kruispunt aankomen óók voor rood te wachten. Zodat het voor het verkeerslicht op ons kruispunt eventjes leeg raakt. Hé, denkt dat stoplicht dan, weet je wat? Ik ga op rood want ik voel geen auto’s met mijn natte vinger.
En juist als hij zijn stoplicht op rood heeft gezet stormen de auto’s aan die van het stoplicht op het vorige kruispunt groen hebben gekregen. Die auto’s duwen als het ware een lege tussenruimte voor zich uit waardoor ons verkeerslicht in de waan werd gebracht, dat-ie op rood kon gaan.

En zo zorgen al die honderden verkeerslichtinstallaties, die steeds op 500 meter van elkaar vandaan staan, er met elkaar voor, dat je àltijd rood hebt als je eraan komt.
Nou ja. Ik overdrijf. Niet altijd. Eéns in de tien jaar heb je groen.
Als je geluk hebt tenminste.
Geplaatst op: Vrijdag 17 juli 2015 om 08:43 uur
1793994
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld