Julius Pasgeld
Julius Pasgeld

Wachten op mevrouw Pasgeld

Mevrouw Pasgeld en ik leven nu al ruim 30 jaar samen en over het geheel genomen is er alle aanleiding om onze verbintenis te kenschetsen als gelukkig tot zeer gelukkig. Maar zoals overal zijn er ook bij ons wat kleine hinderlijkheden die eigenlijk geen naam mogen hebben. Over de klachten die mevrouw Pasgeld in dat verband over mij heeft moet ze zelf maar columns schrijven. En over mijn ongemakken met haar wens ik mij slechts node te uiten.

Toch moet me iets van het hart.
Het betreft de periodes die ik op haar moet wachten als we op het punt staan ergens gezamenlijk heen te gaan.
Door ervaring wijs geworden spraken wij ooit af om steeds ruim van te voren een tijdstip overeen te komen waarop wij beiden gereed zouden dienen te zijn voor vertrek. Het heeft nauwelijks zin om hier te vermelden, dat deze afspraak tot nog toe nauwelijks enige invloed heeft gehad op de duur van mijn wachtperiodes.
U zou kunnen tegenwerpen, dat ik in die tijd iets nuttigs zou kunnen doen.
En inderdaad. Er zijn gevallen bekend van mannen, die in de tijd dat ze op hun vrouw moesten wachten, hele romans schreven. Of het telefoonboek uit hun hoofd leerden. Maar juist als ìk iets ging ondernemen om de wachttijd met enige nuttige werkzaamheden in te vullen, bijvoorbeeld met het schrijven van een column, bleek mevrouw Pasgeld dan ineens toch gereed voor vertrek, waardoor de portee van menige column in het water viel.
Ook heb ik alvast eens in de auto plaatsgenomen om het wachten in een andere omgeving te beleven, maar toen liep mevrouw Pasgeld, toen ze eindelijk klaar was, het hele huis naar me af te zoeken, zodat het allemaal nog weer veel langer duurde.

Laatst werd het me te machtig.
We waren al ruim twintig minuten over het van te voren afgesproken tijdstip heen. Ik spoedde mij driftig naar de badkamer waar ik haar vermoedde.
‘Nu moet je me toch eens vertellen wat je allemaal aan het doen bent’, wierp ik haar voor de voeten. Met de zielerust van een ijskonijn verwittigde ze me van het feit dat ze nog even een pepermuntje aan het pakken was.
‘Maar dàt kan toch niet zo lang duren?’, beet ik haar toe. ‘Wat deed je daarvoor dan?’
Nog steeds kalm zei ze iets over een portemonee en een mobieltje, die in haar tasje moesten. Iets over een lippenstift die wat lastiger dan normaal bleek op te brengen. Iets over een vestje. En iets over andere schoenen. De details ontgingen me.
‘En hoe lang denk je, dat het allemaal nu nog gaat duren?’, riep ik, nauwelijks in staat een eerlijk antwoord te verdragen.
‘Nou’, zei ze. ‘Even denken. Ik moet mijn handen nog wassen. En dan kijk ik nog even in de spiegel om te zien of het allemaal wel leuk staat.’
‘Moet je dan niet op het allerlaatste moment ook nog even naar het toilet?’, meende ik me te herinneren van honderden vergelijkbare situaties daarvoor.
‘Ja, natuurlijk’, zei ze. Dat weet je zelf zolangzamerhand beter dan ik.`
‘Maar kan je dan niet zorgen, dat je al die dingen doet vóór het afgesproken tijdstip van vertrek?’, vroeg ik in alle nederigheid.
‘Nee’, sprak ze eenvoudig.

Dat was haar uitspraak.
En daar moest ik het mee doen.
Geplaatst op: Vrijdag 27 augustus 2010 om 09:24 uur
1698319
bezoekers
© 2020 - Julius Pasgeld